Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 157.643 - 3-12-2015

Samenvatting

Uit het arrest van 28 november 2014 van het Hof van Beroep te Gent blijkt dat verzoeker zich schuldig
heeft gemaakt aan de aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging gepleegd op de persoon van een minderjarige, onder de zestien jaar oud, én omwille van de aanranding van de eerbaarheid met geweld of bedreiging en de verkrachting van de persoon van een minderjarige, boven de volle leeftijd van zestien jaar, met de verzwarende omstandigheid dat de verkrachting gepaard ging met opsluiting en hij hiervoor reeds werd veroordeeld tot een hoofdgevangenisstraf van drie jaar en een geldboete van drieduizend euro, deels met uitstel door de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk van 29 juli 2013. Hij werd toen bovendien ontzet uit zijn rechten voor een termijn van tien jaar overeenkomstig artikel 31, eerste lid Swb. en voor een termijn van twintig jaar overeenkomstig artikel 382 Swb. Het Hof van Beroep bevestigt met het arrest van 28 november 2014 het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Kortrijk.
 
Bijgevolg dient er overeenkomstig de bepalingen van artikel 55/4, eerste lid, c) nagegaan te worden of
er “ernstige redenen” zijn die de uitsluiting omwille van het plegen van een “ernstig misdrijf” zouden kunnen verantwoorden. Verzoeker betwist niet dat deze feiten ernstig zijn. Verzoeker geeft uitdrukkelijk aan dat hoewel met alle elementen van de zaak dient rekening te worden gehouden “het misdrijf van verkrachting uiteraard een ernstig misdrijf uitmaakt”. De Raad meent dat de voormelde veroordeling beantwoordt aan de vereisten van artikel 55/4 eerste lid, c) van de vreemdelingenwet. De veroordeling betreft immers de “ernstige reden”; ook blijkt uit de strafmaat van het arrest dat het om een “ernstig misdrijf” gaat.
 
Er kan gelet op wat voorafgaat dan ook niet worden getwijfeld aan het feit dat verzoeker een ernstig
misdrijf heeft gepleegd in de zin van artikel 55/4, § 1, c) van de vreemdelingenwet. Het voormelde arrest van het Hof van Beroep heeft, gelet op het feit dat er geen beroep werd aangetekend, kracht van gewijsde. Het misdrijf dat hij heeft begaan en waarvoor hij werd veroordeeld dient dan ook te worden beschouwd als een “ernstig misdrijf” in de zin van artikel 55/4, c) van de vreemdelingenwet. Verzoekers handelingen zijn immers geenszins te verzoenen met de humanitaire inslag van het subsidiaire beschermingsstatuut en de daaruit voortvloeiende internationale bescherming.