Samenvatting
De intrekkingsgronden van artikel 55/3/1, § 2, 2° van de vreemdelingenwet dienen restrictief geïnterpreteerd te worden. De Raad stelt vast dat de link die door de bestreden beslissing wordt gemaakt tussen het verhaal van de politieke problemen van de echtgenoot van verzoekster geen rechtstreeks verband heeft met de kwestie van het risico op besnijdenis van haar dochters.
Het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toont niet aan dat de frauduleuze verklaringen betrekking hebben op de persoonlijke situatie van verzoekster en de onmogelijkheid om haar dochters te beschermen tegen besnijdenis, noch dat er geen objectief risico op besnijdenis in hoofde van de dochters bestaat bij een terugkeer naar Guinee.