Samenvatting
In het kader van artikel 42septies van de vreemdelingenwet berust de bewijslast van een intentioneel element in hoofde van de burger van de Unie of diens familielid bij de gemachtigde van de staatssecretaris, hetgeen steun vindt in de parlementaire voorbereiding, waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “De enige uitzondering op deze overgangsbepaling heeft betrekking op de gevallen van fraude die worden bedoeld in artikel 42septies, omdat dit motief voor een beëindiging van het verblijf een toepassing is van het algemeen rechtsprincipe «Fraus omnia corrumpit»” (Wetsontwerp van 11 januari 2007 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, Parl.St. Kamer 2006-2007, DOC 51 2845/001, p. 76). De rechtspraak van het Hof van Cassatie leert op zijn beurt dat de toepassing van het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” het bestaan van bedrog veronderstelt en dat bedrog kwaadwilligheid, opzettelijke misleiding en oneerlijkheid met de bedoeling te schaden of winst te behalen, inhoudt (Cass. 3 oktober 1997, Arr.Cass. 1997, 386). Die kwade trouw in hoofde van verzoekster moet bewezen worden. Uit de beslissing en de gegevens van het administratief dossier dient dus te blijken dat de betrokken vreemdeling met het oog op het bekomen van zijn verblijfsrecht wetens en willens “valse of misleidende informatie of valse of vervalste documenten” heeft meegedeeld, “fraude (heeft) gepleegd of andere onwettige middelen gebruikt (heeft) die van doorslaggevend belang geweest zijn voor de erkenning van dit recht.”
In casu dringt zich de vaststelling op, zoals verzoekster terecht oppert in haar synthesememorie, dat “volstrekt onduidelijk (is) hoe de verwerende partij uit het bericht van de RSVZ dd. 14 juni 2013 wettig kan afleiden dat er in casu sprake zou zijn van "valse" of "misleidende" informatie”. In voormelde brief wordt aangehaald dat verzoekster zou zijn verzocht om een vragenlijst in te vullen en om die samen met de nodige bewijsstukken terug te sturen naar het RSVZ. Blijkbaar omvatte “de vragenlijst die de betrokkene heeft ingevuld (…) niet voldoende bewijskrachtige gegevens die wijzen op de uitoefening van een beroepsactiviteit als zelfstandige”. De Raad stelt vast dat deze informatie niet volstaat om in redelijkheid te besluiten dat er in hoofde van verzoekster sprake was van bedrog. De verwerende partij gaat blijkbaar uit van een vermoeden van kwade trouw, aangezien zij in haar nota meent dat zij “gelet op het onderzoek van het RSVZ en het duidelijke besluit tot retroactieve schrapping, wel degelijk vermocht te oordelen dat het verblijfsrecht onder valse voorwendsels was bekomen”. De retroactieve schrapping heeft echter enkel tot gevolg dat verzoekster wordt geacht nooit een aansluiting bij een sociaal verzekeringsfonds te hebben gehad, maar deze schrapping kan zonder bijkomend onderzoek niet redelijkerwijs worden geherkwalificeerd als het gebruik van valse of misleidende informatie met het oog op het bekomen van een recht op verblijf zoals bedoeld in artikel 42septies van de vreemdelingenwet. Het feit dat verzoekster thans niet aantoont dat zij wel degelijk een zelfstandige activiteit uitoefent, zoals de verwerende partij in haar nota opwerpt, zou eventueel kunnen leiden tot de conclusie dat zij niet (langer) voldoet aan de voorwaarden voor haar verblijf, maar dit lijkt te dezen weinig relevant aangezien dit niet vereist wordt in het kader van de toepassing van artikel 42septies van de vreemdelingenwet. Terloops merkt de Raad nog op dat uit het in punt 3.6 weergegeven schrijven van het RSVZ nergens kan worden afgeleid dat het op de persoon van verzoekster betrekking zou hebben aangezien hierin noch haar naam, nog enig ander persoonsgegeven werd opgenomen. De Raad stelt vast dat de gemachtigde van de staatssecretaris de vermeende bedrieglijke gedragingen van verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt.
De gemachtigde van de staatssecretaris ging niet uit van een correcte feitenvinding door op grond van het schrijven van het RSVZ te besluiten dat verzoekster haar verblijfsrecht onder misleidende voorwendsels heeft bekomen en kon bijgevolg op deze gronden niet in redelijkheid toepassing maken van artikel 42septies van de vreemdelingenwet.