Samenvatting
In casu wordt door verweerder niet betwist dat de referentiepersoon een zeer groot bedrag heeft staan op haar rekening. Ze meent echter dat het bedrag op de zichtrekening niet het bestaan vormt van regelmatige bestaansmiddelen. Daar waar de wet inderdaad voorziet dat de bestaansmiddelen regelmatig dienen te zijn, ziet de Raad echter niet in hoe verweerder in casu kan stellen dat deze bestaansmiddelen niet regelmatig zijn. De regelmatigheid van de inkomsten slaat eerder op inkomsten waarvan men niet met zekerheid kan stellen dat ze in de toekomst nog aanwezig zullen zijn, bv. inkomsten uit tijdelijke arbeidsovereenkomsten. In casu is het bedrag dat ter beschikking staat duidelijk gedefinieerd.
In de parlementaire voorbereiding van de wet van 8 juli 2011 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt de invoeging van dit artikel uitvoerig besproken. Daarbij wordt de aandacht gevestigd dat mensen die aan gezinshereniging doen over de middelen moeten beschikken om menswaardig te leven, dat het moet gaan om voldoende middelen van bestaan, dat het gaat over bestaansmiddelen die zij nodig hebben om in hun behoeften te voorzien zonder ten laste te vallen van de overheid (Parl. St., Kamer 2010-2011, nr. 53K0443/018). In elk geval mag deze voorwaarde geen onaanvaardbare belemmering worden op het recht op gezinshereniging. (Parl. St., Kamer 2010-2011, nr. 53K0443/018, 206).
Verweerder schendt opnieuw het artikel 40ter van de wet van 1980 en het gezag van gewijsde van het arrest nummer 126.212 van 25 juni 2014 waarbij de Raad tot de vaststelling komt dat het kennelijk onredelijk is om gelet op de grootheid van het bedrag op de zichtrekening te stellen dat hieruit niet kan worden afgeleid dat de referentiepersoon niet het bewijs levert van stabiele, toereikende en voldoende bestaansmiddelen.
In de nota met opmerkingen betoogt verweerder nog dat de levensstijl van betrokkenen bepaalt of de bestaansmiddelen volstaan om er nog jaren van te kunnen leven, zodat hij opnieuw erkent dat er voldoende bestaansmiddelen werden aangetoond. Hierbij merkt de Raad op dat verweerder eens het verblijf is toegekend, de mogelijkheid heeft om te controleren of nog steeds aan de verblijfsvoorwaarden wordt voldaan en zoniet, een einde te stellen aan het recht op verblijf. Er liggen thans geen indicaties voor dat verzoeker en zijn partner er een exuberante levensstijl op nahouden waardoor kan worden gesteld dat het beschikbare bedrag niet voldoende is om er voor te zorgen dat zij niet ten laste zullen vallen van de overheid.
Het middel is in de aangegeven mate gegrond en leidt tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing. Een verder onderzoek van de overige onderdelen van het middel dringt zich niet op.