Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 150.196 - 30-07-2015

Samenvatting

Uit de motivering blijkt dat de gemachtigde bij het maken van de individuele behoefteanalyse wel degelijk rekening heeft gehouden met alle elementen die verzoeker in het kader van zijn verblijfsaanvraag had voorgelegd. De Raad wijst er in dat opzicht op dat het aan verzoeker zelf toekwam om aan de gemachtigde alle mogelijk relevante informatie te verschaffen om aan te tonen dat zijn echtgenote als referentiepersoon beschikt over voldoende stabiele, regelmatige en toereikende bestaansmiddelen. Verzoeker heeft immers zelf het verblijfsrecht aangevraagd als echtgenoot van een Belg, en was er dus zelf toe gehouden aan te tonen dat hij voldeed aan de voorwaarden van artikel 40ter van de Vreemdelingenwet om de aangevraagde verblijfskaart te krijgen.
 
De beoordeling door de gemachtigde dat de bestaansmiddelen van verzoekers echtgenote op het moment van de bestreden beslissing ontoereikend waren in het licht van artikel 40ter van de Vreemdelingenwet komt de Raad daarbij niet onredelijk of onevenredig over. Verzoekers beweringen in het verzoekschrift, namelijk dat zijn echtgenote maandelijks ongeveer 60 euro ontvangt voor haar vrijwilligerswerk bij het Sint-Jan-Berchmanscollege, dat zij momenteel over een gemiddeld maandelijks inkomen van 990 euro beschikken terwijl hun maandelijkse kosten slechts 865 euro zouden bedragen, dat zij geen kinderen hebben en geen belang aan luxe hechten, en dat zij aldus naar eigen zeggen perfect in hun levensonderhoud kunnen voorzien, doen hieraan geen afbreuk. Uit de twee voorgelegde loonfiches van respectievelijk 729,81 euro en 891,52 euro kon de gemachtigde op het moment van de bestreden beslissing immers terecht een gemiddeld maandelijks inkomen van 810,665 euro afleiden, terwijl uit het informatiedocument aangaande het vrijwilligerswerk dat een forfaitaire vergoeding van 15 euro vermeldt niet kon worden afgeleid met welke regelmaat deze vergoeding wordt toegekend en aan wie. De gemachtigde kon op het moment dat de bestreden beslissing genomen werd dan ook in redelijkheid stellen dat, rekening houdend met de maandelijkse huurlasten, de kosten van het dagelijkse leven, de gezinssamenstelling en het feit dat verzoeker ook moet kunnen leven van dit inkomen dat overigens ver onder de armoederisicogrens voor een koppel ligt, deze bestaansmiddelen te laag zijn om een minimum aan waardigheid voor verzoeker en zijn echtgenote te kunnen garanderen, zodat zij het risico lopen ten laste te vallen van het sociale bijstandsstelsel van het Rijk.
 
Waar verzoeker in het verzoekschrift nog benadrukt dat de gemachtigde bij het maken van de individuele behoefteanalyse rekening moest houden met het feit dat verzoeker en zijn echtgenote momenteel een universitaire opleiding volgen, zodat zij volgens verzoeker een goede kans maken op tewerkstelling wanneer zij deze opleiding respectievelijk in september en juni 2015 zullen hebben afgerond, wijst de Raad er vooreerst op dat in de bestreden beslissing wel degelijk werd gemotiveerd aangaande deze opleidingsdocumenten. Daargelaten de vraag of enkel met op het ogenblik van de bestreden beslissing aangetoonde bestaansmiddelen kan rekening gehouden worden van de Belgische referentiepersoon en niet van verzoeker zelf, weze het hoe dan ook opgemerkt dat bewijzen van opleiding geen bewijzen van effectieve bestaansmiddelen zijn. Ook met betrekking tot de opleiding die verzoekers echtgenote volgt, kan de Raad verweerder bijtreden waar hij in de nota met opmerkingen stelt dat dit louter hypothetische betoog aangaande een mogelijke toekomstige tewerkstelling geen afbreuk kan doen aan de voorgaande vaststelling dat verzoekers echtgenote op het moment van de bestreden beslissing niet heeft aangetoond over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen te beschikken in de zin van artikel 40ter van de Vreemdelingenwet. Ook al zijn de universitaire opleidingen die verzoeker en zijn echtgenote met glans lijken te vervullen lovenswaardig, dan nog kan in het kader van een beoordeling van de aangetoonde bestaansmiddelen en de behoefteanalyse niet redelijkerwijs van de gemachtigde verwacht worden dat dergelijke gegevens zouden beschouwd worden als een bewijs van actuele bestaansmiddelen op het ogenblik van de beslissing.
 
Gelet op het voorgaande blijkt niet dat de gemachtigde de bestreden beslissing niet op een redelijke manier zou hebben genomen of niet op een zorgvuldige wijze heeft voorbereid, niet heeft gestoeld op een correcte feitenvinding, of niet heeft gesteund op alle gegevens van het dossier en op alle daarin vervatte dienstige stukken. Evenmin blijkt dat de verhouding tussen de motieven en het dispositief volledig ontbreekt. Een schending van het evenredigheidsbeginsel en van het zorgvuldigheidsbeginsel wordt niet aangenomen.