Samenvatting
In casu blijkt nergens uit de stukken van het administratief dossier dat aan de verzoekende partij bij het indienen van haar asielaanvraag een beslissing tot terugdrijving overeenkomstig 52/3, § 2, 2de lid van de vreemdelingenwet juncto artikel 72, § 1 van het vreemdelingenbesluit, heeft ontvangen. Nochtans blijkt uit de voormelde wettelijke bepalingen dat de verwerende partij ertoe gehouden was een bijlage 11ter aan de verzoekende partij ter kennis te brengen.
Op het eerste gezicht kan de verzoekende partij worden gevolgd waar zij meent dat haar een effectief rechtsmiddel wordt ontzegd doordat ten aanzien van haar geen nieuwe bijlage 11ter genomen werd nadat zij een zesde asielaanvraag heeft ingediend. Door geen nieuwe beslissing tot terugdrijving te nemen kan de verwerende partij voorhouden dat de bijlage 11ter van 11 februari 2016 definitief is geworden en kan zij de verzoekende partij op grond van deze beslissing terugdrijven, zonder dat de verzoekende partij haar nieuwe grieven, met name dat ze een onmenselijke en vernederende behandeling vreest bij een terugdrijving naar Turkije en Iran, heeft kunnen laten onderzoeken.
Het bestaan van een impliciete beslissing tot binnenkomstweigering met terugdrijving – asielzoeker van 18 februari 2016 wordt in deze stand van het geding aangenomen.