Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 162.982 - 26-02-2016

Samenvatting

De Raad stelt in casu evenwel vast dat de gemachtigde in de bestreden beslissing, zowel met betrekking tot het bevel om het grondgebied te verlaten als met betrekking tot de terugleiding naar de grens, uitdrukkelijk verwijst naar artikel 8 van het EVRM en dienaangaande een dubbele motivering hanteert.
 
De gemachtigde wijst in dit verband enerzijds op het feit dat de weigering van registratie van samenwoonst (van de verzoekende partij met haar partner, de heer C., een legaal in België wonende Marokkaanse onderdaan) een contra-indicatie vormt inzake het bestaan van een werkelijk gezinsleven, zodat kan worden geconcludeerd dat een terugkeer naar het land van herkomst geen schending van voormeld artikel 8 inhoudt.
Anderzijds overweegt de gemachtigde dat de verzoekende partij hoe dan ook niet aantoont dat zij enkel in België een gezinsleven kan hebben en dat het niet mogelijk zou zijn om een gezinsleven te ontwikkelen in haar land van herkomst, waarna hij aangeeft dat het loutere feit dat de heer C. niet kan worden gedwongen het Belgisch grondgebied te verlaten, niet maakt dat hij de verzoekende partij niet vrijwillig zou kunnen volgen naar Brazilië. Ten slotte wijst de gemachtigde erop dat beide betrokkenen wisten dat het gezinsleven vanaf het begin precair was, gelet op de illegale verblijfssituatie van de verzoekende partij in België.
 
Er dient dan ook te worden vastgesteld dat de gemachtigde zelf, al meent hij dat een contra-indicatie bestaat inzake het bestaan van een werkelijk gezinsleven, desalniettemin het bestaan van een gezinsleven heeft aanvaard. Hij heeft het immers noodzakelijk geacht dienaangaande een belangenafweging te maken en verder te motiveren aangaande een mogelijke schending van artikel 8 van het EVRM. Wat betreft het betoog dat de in het licht van artikel 8 gedane belangenafweging “louter ten subsidaire titel” geldt, dient te worden bemerkt dat het niet aan de Raad is om in de plaats van de gemachtigde te beoordelen aan welk van de aspecten van de motivering aangaande voormeld artikel 8 laatstgenoemde het meeste gewicht toekent en of bepaalde aspecten van dit onderdeel van de motivering op zichzelf dan wel slechts in combinatie met (de) andere aspecten ervan kunnen bestaan.
 
Nu de gemachtigde zich beperkt tot de stelling dat er een “contra-indicatie” geldt voor het bestaan van een gezinsleven – waarmee hij derhalve niet uitdrukkelijk stelt dat er in casu geen sprake is van een gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM – enerzijds, en hij het dan bovendien noodzakelijk heeft geacht om vervolgens een belangenafweging te maken omtrent een mogelijke schending van artikel 8 van het EVRM anderzijds, kan het verweer dat de gemachtigde in geen geval rekening diende te houden met de dochter van dhr. C. omdat er in de eerste plaats al geen gezinsleven wordt aangetoond niet door de Raad worden aanvaard.
 
Bijgevolg gaat de Raad na of de gemachtigde bij het nemen van de bestreden beslissing is overge-gaan tot een zorgvuldige belangenafweging aangaande alle relevante elementen en omstandigheden van het gezinsleven van verzoekende partij, zoals zij behoorde te doen in het licht van artikel 8 van het EVRM.
 
Uit nazicht van het administratief dossier blijkt dat de gemachtigde inderdaad voor het nemen van de bestreden beslissing op 7 oktober 2015 op de hoogte was van het feit dat de heer C. een dochter R. heeft, die thans zeven jaar is.
 
Van deze minderjarige dochter wordt immers melding gemaakt in een brief van de Dienst Vreemde-lingenzaken van 28 mei 2015 gericht aan de Dienst Burgerzaken van de stad Brugge, waarbij tevens melding wordt gemaakt van het feit dat zij geboren is uit een eerder huwelijk van de heer C. met een burger van de Unie. In deze brief wordt tevens vermeld dat zijn dochter geboren is op 31 januari 2008.
 
Ook in de overige documenten die betrekking hebben op het onderzoek in het kader van de wettelijke samenwoonst, met name het op 6 augustus 2015 aan de Dienst Vreemdelingenzaken overgemaakte advies van de procureur des Konings en het besluit van de ambtenaar van de burgerlijke stand van de stad Brugge van 25 augustus 2015 tot weigering van de registratie van de verklaring tot wettelijke samenwoning, wordt meermaals melding gemaakt van het dochtertje van de heer C. Hieruit blijkt tevens dat verzoekende partij tijdens haar verhoor uitdrukkelijk werd gevraagd naar de naam van het internaat waar het zevenjarige dochtertje van de heer C. heden verblijft.
 
De gemachtigde kan bijgevolg niet voorhouden onwetend te zijn geweest over de zevenjarige dochter van de heer C.
 
De Raad kan verzoekende partij bijtreden waar zij aanvoert dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat de gemachtigde rekening heeft gehouden met R., de dochter van de partner van verzoekende partij. Uit de overige stukken die zich in het administratief dossier bevinden, blijkt evenmin dat de gemachtigde bij het nemen van zijn beslissing de dochter van dhr. C. in acht heeft genomen, hetgeen in de nota met opmerkingen overigens niet wordt ontkend.
 
Door de familiale situatie van dhr. C. en meer bepaald het bestaan van zijn minderjarige dochter niet te betrekken in de belangenafweging in het kader van artikel 8 EVRM, heeft de gemachtigde de op hem rustende zorgvuldigheidsplicht in het licht van dit verdragsartikel geschonden. De Raad wenst te dezen nog te onderstrepen dat hij zich niet uitspreekt over de vraag of de verzoekende partij al jaren samen met de heer C. zijn dochter opvoedt, maar slechts heeft vastgesteld dat niet blijkt dat de gemachtigde bij zijn beoordeling van artikel 8 van het EVRM – waarbij hij meent dat het loutere feit dat de heer C. niet kan worden gedwongen het Belgisch grondgebied te verlaten, niet maakt dat hij de verzoekende partij niet vrijwillig zou kunnen volgen naar Brazilië – rekening heeft gehouden met alle familiale elementen waarvan hij kennis had, met name het feit dat de heer C. in België een zevenjarige schoolplichtige dochter heeft.