Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 162.808 - 25-02-2016

Samenvatting

Kernpunt van verzoekers betoog is dat de verwerende partij ondanks het horen van verzoeker, niet heeft geluisterd naar zijn betoog dat hij het grondgebied niet kon verlaten gelet op het feit dat de laatste schorsende procedure die hij had ingesteld tegen het bevel om het grondgebied te verlaten van 29 januari 2015, dat betekend werd op 10 februari 2015, waarnaar de bestreden beslissing verwijst, slechts door de Raad werd verworpen één dag voor het treffen van de bestreden beslissing.
 
Verzoeker kan gelet op de stukken die zich bevinden in het administratief dossier worden gevolgd in zijn betoog. Vooreerst blijkt, zoals verzoeker het stelt, dat bij arrest nr. 157 025 van 26 november 2015 verzoekers recentste beroep dat hij had ingesteld tegen de beslissing van de verwerende partij van 29 januari 2015 tot intrekking van het verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten (bijlage 14ter) werd verworpen door de Raad. Dit beroep had een schorsende werking gelet op het gestelde in artikel 39/79, §1, tweede lid, 2° van de Vreemdelingenwet. Het is aannemelijk dat het voormelde arrest op 1 december 2015 werd betekend zoals verzoeker het voorhoudt in zijn verzoekschrift. De Raad kan verzoeker redelijkerwijze ook volgen wanneer hij stelt dat hij de uitkomst van dit schorsend beroep afwachtte alvorens een eventueel vertrek uit het Rijk voor te bereiden. Verwerende partij, die de bestreden beslissing treft en betekent op 2 december 2015, zijnde de dag nadat het bovenvermeld arrest werd betekend, diende verzoeker vóór het treffen van de bestreden beslissing te horen aangaande de modaliteiten van zijn terugkeer, te weten de termijn voor vertrek en de vrijwillige of gedwongen aard van het vertrek. Dit is te dezen niet gebeurd. Blijkens het administratief dossier werd verzoeker op 3 december 2015, dus ná het treffen van de bestreden beslissing, gehoord. In dit verband wordt het horen van verzoeker geduid als volgt, “omdat u aangetroffen bent in illegaal verblijf. U wordt daarom vastgehouden met het oog op uw terugkeer naar uw herkomstland of naar een ander land waar u naar terug mag keren of u een verblijfsrecht heeft. Opdat de Dienst Vreemdelingenzaken een correcte opvolging aan uw dossier kan geven, wordt u gevraagd op volgende vragen te antwoorden”. Er werden op summiere wijze vooropgestelde rubrieken van een vragenlijst ingevuld. Geen enkele vraag peilt naar de modaliteiten van terugkeer, te weten de termijn voor vertrek en de vrijwillige of gedwongen aard van het vertrek, wat allicht te verklaren valt door het feit dat verzoeker reeds vastgehouden wordt met het oog op zijn gedwongen verwijdering. Deze gang van zaken is niet in overeenstemming met het hoorrecht dat het Hof van Justitie specifiek in het kader van de Terugkeerrichtlijn als volgt invulde, “Vervolgens vloeit, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld, uit het recht om vóór de vaststelling van een terugkeerbesluit te worden gehoord, de verplichting voor de bevoegde nationale autoriteiten voort om de betrokkene in staat te stellen zijn standpunt uiteen te zetten over de modaliteiten van zijn terugkeer, te weten de termijn voor vertrek en de vrijwillige of gedwongen aard van het vertrek (zie arrest Boudjlida, C-249/13, EU:C:2014:2431, punt 51)” (HvJ (Derde kamer),11 juni 2015 in de zaak C-554/13).
 
Verzoeker werd niet gehoord vóór het treffen van de bestreden beslissing aangaande de modaliteiten van zijn terugkeer, te weten de termijn voor vertrek en de vrijwillige of gedwongen aard van het vertrek, minstens blijkt niet dat bij zijn horen de dag ná het treffen van de bestreden beslissing hieromtrent een betoog heeft kunnen voeren.