Samenvatting
De verzoekende partij stelt in haar verzoekschrift dat het onmogelijk is om het inreisverbod op een duidelijke manier te begrijpen. De verwerende partij stelt in de bestreden beslissing enerzijds dat de verzoekende partij een inreisverbod van acht jaar wordt opgelegd, en anderzijds dat haar een inreisverbod van zes jaar wordt opgelegd. Het betoog van de verzoekende partij dat dergelijke motivering tot verwarring leidt en aldus niet als afdoende motivering kan gekwalificeerd worden, kan worden gevolgd.
De verwerende partij stelt in haar nota en nogmaals op de terechtzitting van 27 januari 2016 dat uit een eenvoudige lezing van de bestreden beslissing kan worden afgeleid dat het een inreisverbod van acht jaar betreft en dat de vermelding van zes jaar in plaats van acht jaar een louter materiële vergissing is. Zij betoogt dat er geen verwarring kan zijn en dat het duidelijk gaat om een inreisverbod van acht jaar.
De Raad wijst erop dat de juridische grondslag van de bestreden beslissing artikel 74/11, §1 van de Vreemdelingenwet is.
Uit de lezing van deze bepaling blijkt dat de verwerende partij een inreisverbod van meer dan vijf jaar kan opleggen, indien de onderdaan van een derde land een ernstige bedreiging vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Het opleggen van een inreisverbod van meer dan vijf jaar is bijgevolg geen automatisme. De verwerende partij heeft hierbij een discretionaire bevoegdheid. Dit heeft gevolgen voor de formele motiveringsplicht. Bij een gebonden bevoegdheid kan een verwijzing naar de toegepaste regelgeving en de feitelijke toestand die de toepassing van de regel teweegbrengt volstaan. Dit blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en uit de rechtspraak. Echter, hoe groter de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij, hoe strenger de motiveringsplicht wordt opgevat. De omvang van de motiveringsplicht is dus evenredig met de omvang van de discretionaire bevoegdheid waarover de verwerende partij beschikt. De precieze en concrete motieven van een beslissing moeten uitdrukkelijk en nauwkeurig worden vermeld (I. OPDEBEEK EN A. COOLSAET (eds), Formele motivering van bestuurshandelingen, Brugge, die Keure, 2013, 149-151).
Het betoog van de verwerende partij dat het een materiële vergissing betreft die geen enkel gevolg teweegbrengt, kan niet gevolgd worden. De tegenstrijdigheid in de motivering betreft de kern van de bestreden beslissing en dit heeft verstrekkende gevolgen. Het inreisverbod heeft oftewel een duur van zes jaar oftewel een duur van acht jaar. Dit is een verschil van twee jaar, wat een zekere impact heeft op het leven van de verzoekende partij. De loutere bewering dat het in casu gaat om een materiële vergissing, is niet voldoende om de tegenstrijdige motivering van de bestreden beslissing te verantwoorden. In dit verband beklemtoont de Raad dat een inreisverbod voor een periode van meer dan vijf jaar een beslissing is die een grote impact heeft op het leven van de persoon die zich aan een dergelijk inreisverbod moet houden en gelet op de discretionaire bevoegdheid van de verwerende partij, kan de bestreden beslissing niet gemotiveerd worden door enerzijds te spreken van een inreisverbod van zes jaar en anderzijds van een inreisverbod van acht jaar. De motivering van de bestreden beslissing is niet evenredig aan de strenge motiveringsplicht waaraan de verwerende partij moet voldoen door haar discretionaire bevoegdheid in deze materie. Tegenstrijdige motieven heffen elkaar immers op waardoor er een gebrek aan motivering is (RvS 26 maart 2013, nr. 222.996).