Samenvatting
Uit artikel 74/8, § 1, eerste lid, van de Vreemdelingenwet blijkt dat een ‘welbepaalde plaats’ de plaats is waar de betrokken vreemdeling “wordt opgesloten, ter beschikking gesteld van de Regering of vastgehouden overeenkomstig de artikelen 7, 8bis , § 4, 25, 27, 29, tweede lid, 51/5, § 1 of § 3, 52/4, vierde lid, 54, 57/32, § 2, tweede lid, 74/5 of 74/6, § 1 of § 1bis”.
De verkorte termijn van vijftien dagen is slechts van toepassing op de vreemdeling die administratief is vastgehouden of wordt vastgehouden op een welbepaalde plaats of ter beschikking gesteld wordt van de regering met het oog op het vergemakkelijken van zijn verwijdering, en niet op de vreemdeling die is vastgehouden om een andere reden, zoals omwille van een strafrechtelijke veroordeling (cf. RvS 5 oktober 2011, nr. 215.577).
Te dezen blijkt dat de verzoeker op het ogenblik van de betekening van de bestreden beslissing in de gevangenis werd vastgehouden met het oog op een uitlevering naar Macedonië, waar de verzoeker een gevangenisstraf van drie jaar zou moeten ondergaan. Aldus is de verzoeker niet vastgehouden overeenkomstig de artikelen 7, 8bis , § 4, 25, 27, 29, tweede lid, 51/5, § 1 of § 3, 52/4, vierde lid, 54, 57/32, § 2, tweede lid, 74/5 of 74/6, § 1 of § 1bis van de Vreemdelingenwet.
Bijgevolg is de verkorte termijn van vijftien dagen waarin artikel 39/57, § 1, tweede lid, 1°, van de Vreemdelingenwet voorziet in casu niet van toepassing.
(…)
Artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt:
“Bij het nemen van een beslissing tot verwijdering houdt de minister of zijn gemachtigde rekening met het hoger belang van het kind, het gezins- en familieleven en de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land.”
Te dezen laat de verzoeker gelden dat hij drie kinderen heeft in België. Hij wijst er op dat zijn kinderen, “in het bijzonder zijn jongste kindje, hun vader (…) verliezen voor een zeer belangrijke duurtijd”, dat door de zeer jonge leeftijd van zijn jongste dochter, die één jaar oud is, moderne communicatiemiddelen weinig nut hebben, dat “(h)et contact tussen ouder en kind (…) bijzonder persoonlijk (is) in deze leeftijdsfase” en dat een langdurige scheiding de band tussen ouder en kind verbreekt.
Uit een interne nota van de verwerende partij van 11 juni 2015, die zich in het administratief dossier bevindt, blijkt dat de verzoeker enkel de vader zou zijn van het jongste kind, S.M., geboren op 25 augustus 2014, en dat de overige kinderen een andere vader zouden hebben. Er blijkt evenwel niet dat het hoger belang van het kind waarvan de verzoeker wel de vader is in acht werd genomen. Dit blijkt evenmin uit de motieven van de bestreden beslissing of uit de overige stukken van het administratief dossier.
In de bestreden beslissing wordt met betrekking tot het gezins- en privéleven van de verzoeker in de zin van artikel 8 van het EVRM weliswaar gemotiveerd dat “een tijdelijke scheiding van betrokkene met zijn partner/gezin, met het oog op het vervullen van de noodzakelijk formaliteiten ter voldoening van de wettelijke bepalingen, het gezinsleven niet in die mate (verstoort) dat er sprake kan zijn van een schending van het artikel 8 van het voornoemde verdrag”, doch het hogere belang van het kind van de verzoeker werd hierbij niet in ogenschouw genomen. Bovendien – en ten overvloede – blijkt uit de stukken van het administratief dossier dat de verzoeker tevens een inreisverbod van drie jaar werd opgelegd, zodat het niet ernstig is om te stellen dat het om een tijdelijke scheiding gaat.
De verwerende partij verwijst in haar nota met opmerkingen in haar repliek op de door de verzoeker in het vijfde middel uiteengezette grieven naar haar repliek op de overige door de verzoeker aangevoerde middelen. In haar repliek op het derde middel stelt de verwerende partij dat “nergens in de toelichting bij het middel nader wordt ingegaan op de (…) door verzoekende partij nochtans voorgehouden schending van (…) artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet”. Ook in haar repliek op de overige middelen, in het bijzonder het vierde middel waar ook een schending van artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet wordt aangevoerd, laat de verwerende partij na te repliceren nopens de schending van artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet of het hoger belang van het kind.
Een schending van artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet wordt aangenomen.