Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 162.308 - 18-02-2016

Samenvatting

De Raad benadrukt dat de wetgever uitdrukkelijk heeft bepaald dat het bestuur wanneer het een verwijderingsmaatregel neemt rekening dient te houden met het hoger belang van het kind, het gezins- en familieleven en de gezondheidstoestand van de betrokken onderdaan van een derde land. Verweerder betwist in casu niet dat verzoekster in België een gezinsleven heeft met haar echtgenoot en hun zoon. De Raad stelt in dit verband ook vast dat verzoeksters zoon weliswaar meerderjarig is, doch uit de stukken van het administratief dossier duidelijk blijkt dat hij nog deel uitmaakt van het kerngezin van verzoekster, te meer nu hij ingevolge zijn ziekte is aangewezen op de hulp en bijstand van zijn ouders. Niettegenstaande artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet op zich niet spreekt over gezondheidsproblemen van overige gezinsleden waarmee rekening dient te worden gehouden, houdt deze bepaling wel in dat rekening dient te worden gehouden met het gezins- of familieleven in België. Dit impliceert dat in voorkomend geval eveneens rekening dient te worden gehouden met bepaalde hinderpalen op medische gronden die in hoofde van een van de gezinsleden kunnen bestaan om het grondgebied te verlaten en terug te keren naar het herkomstland. Artikel 74/13 van de Vreemdelingenwet beoogt immers te voorzien in een doeltreffende bescherming van het recht op eerbiediging van het gezins- of familieleven beschermd door artikel 8 van het EVRM. De vraag naar het voorhanden zijn van hinderpalen voor het verderzetten van dit gezins- of familieleven elders, zoals bepaalde gezondheidsproblemen in hoofde van één van de gezinsleden, is aldus relevant.