Samenvatting
Verweerder oordeelde aldus dat, wat de gezinsband betreft tussen verzoeker en zijn Belgisch kind, deze de toepassing van artikel 42quater, § 1, eerste lid, 4° van de Vreemdelingenwet niet verhindert en dit omdat niet blijkt dat verzoeker omkijkt naar zijn zoon, bijdraagt in de opvoeding van dit kind of dit kind mede financieel onderhoudt en nu de moeder van dit kind bij dringende maatregelen de volledige voogdij heeft verkregen. Hierbij wordt ook geduid dat verzoeker geen stukken aanbracht die hierover anders doen oordelen.
Het is op zich niet betwist dat deze situatie zoals geschetst in de bestreden beëindigingsbeslissing op dat ogenblik niet langer volledig de werkelijke situatie weerspiegelde en, zoals verzoeker correct aangeeft, in belangrijke mate achterhaald was. Verzoeker legt zo een vonnis voor van 23 april 2015 van de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Oudenaarde, familiezaken, waarbij akte wordt verleend van het akkoord tussen verzoeker en zijn toenmalige echtgenote voor een verdere gezamenlijke uitoefening van het ouderlijke gezag, een verblijfsregeling en een onderhoudsbijdrageregeling voor het kind. Hierin is ook een omgangsrecht voor verzoeker opgenomen. Verzoeker legt ook een stuk voor van overgemaakt alimentatiegeld. Wel bestaat er discussie over de vraag in welke mate verweerder kennis had of diende te hebben van een gewijzigde situatie en of verweerder onzorgvuldig handelde waar hij verzoeker weliswaar eind 2014 uitnodigde om alle nuttige gegevens die zich kunnen verzetten tegen een beëindiging van zijn verblijfsrecht voor te leggen doch vervolgens tot 11 september 2015 wachtte om over te gaan tot de beëindiging van het verblijfsrecht en dit zonder zich op dat ogenblik verder te informeren omtrent onder meer de uitkomst van de gerechtelijke procedures met betrekking tot het ouderlijk gezag en het omgangsrecht met het kind.
De Raad stelt allereerst vast dat waar verweerder in de bestreden beëindigingsbeslissing stelt dat verzoeker niet omkijkt naar zijn kind en verwijst naar de dringende en voorlopige maatregelen zoals deze op 6 juni 2014 werden opgelegd, de vaststelling zich opdringt dat verweerder bij het nemen van deze beslissing – zoals dit blijkt uit de stukken van het administratief dossier – reeds kennis had van het gegeven dat verzoeker sindsdien via de rechtbank een bezoekrecht in een neutrale ruimte had verkregen. Hij had hiervan reeds kennis in september 2014. Door enkel te verwijzen naar de dringende en voorlopige maatregelen van 6 juni 2014 en op algemene wijze te stellen dat verzoeker niet omkijkt naar zijn kind zonder rekening te houden met dit later verworven bezoekrecht, dringt de vaststelling zich op dat geen zorgvuldige feitenvinding aan de basis ligt van de bestreden beëindigingsbeslissing.
Het is daarnaast niet betwist dat verzoeker op 3 november 2014 een schrijven werd betekend waarbij hem werd gevraagd stukken voor te leggen in het licht van de elementen bedoeld in artikel 42quater, § 1, laatste lid van de Vreemdelingenwet en dat verzoeker hiervoor een termijn van dertig dagen werd gegeven. Op 12 november 2014 legde verzoeker vervolgens stukken voor. Pas op 11 september 2015 – oftewel tien maanden later – ging verweerder over tot het nemen van de bestreden beëindigings-beslissing. Het administratief dossier bevat geen concrete reden waarom verweerder – die verzoeker slechts één maand de tijd gaf om stukken voor te leggen die zijn actuele toestand dienden te verduidelijken – vervolgens zelf tien maanden wachtte om over te gaan tot het nemen van de bestreden beëindigingsbeslissing. Ter terechtzitting hiernaar gevraagd, brengt verweerder in dit verband ook geen reden aan. De Raad merkt vervolgens op dat, gelet op de stukken die voorhanden zijn in het administratief dossier, verweerder er kennis van had dat verzoeker ten tijde van de uitnodigingsbrief was verwikkeld in een echtscheidingsprocedure. Verweerder had er blijkens de motivering van de bestreden beëindigingsbeslissing ook kennis van dat in dit verband de echtscheiding reeds was uitgesproken, nu hij verwijst naar de overschrijving van de echtscheiding op 31 maart 2015. Verweerder diende verder te weten dat de opgelegde dringende maatregelen waarnaar hij verwijst – die reeds dateerden van 6 juni 2014 – in ieder geval ook slechts voorlopig waren. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt bovendien dat verweerder er kennis van had dat verzoeker een bezoekrecht in een neutrale ruimte had verkregen tot april 2015 en dat de kwestie van het ouderlijk gezag, het omgangsrecht en de alimentatie-regeling opnieuw zou voorkomen voor de rechtbank ten laatste in april 2015. Aldus kon verweerder er in redelijkheid niet van onwetend zijn dat de dringende en voorlopige maatregelen van 6 juni 2014 waarnaar hij verwijst, op het ogenblik van het nemen van de beslissing in beginsel achterhaald waren. Door zonder meer nog te verwijzen naar deze dringende en voorlopige maatregelen van 6 juni 2014 zonder in dit verband bijkomende navraag te doen of informatie in te winnen betreffende de definitieve regeling wat betreft het gezamenlijke kind – en dit terwijl het bestuur redelijkerwijze diende te weten dat de dringende maatregelen waarnaar het verwees in beginsel reeds achterhaald waren, mede als gevolg van de lange tijdsperiode die verweerder zonder duidelijke reden zelf liet verstrijken – kan verzoeker worden gevolgd waar hij stelt dat verweerder bij het nemen van de bestreden beëindigingsbeslissing niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen. Wat de verwijzing in de bestreden beëindigingsbeslissing naar rechtspraak van de Raad van State betreft, merkt de Raad ook nog op dat deze rechtspraak betrekking heeft op de situatie waarin een verblijfsrecht wordt geweigerd, hetgeen een fundamenteel andere situatie betreft dan de situatie waarin een reeds bestaand verblijfsrecht wordt beëindigd. Deze rechtspraak kan derhalve niet zonder meer worden getransponeerd op de thans voorliggende zaak.
Een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel juncto artikel 42quater, § 1, laatste lid van de Vreemdelingenwet wordt aannemelijk gemaakt en volstaat om te besluiten tot de nietigverklaring van de bestreden beëindigingsbeslissing. Een verder onderzoek van het middel dringt zich, wat deze beslissing betreft, niet langer op.