Samenvatting
Verzoeker voert onder meer de schending aan van de motiveringsplicht en van artikel 8 van het EVRM.
Verweerder stelt in de nota dat een schending van artikel 8 van het EVRM niet kan worden aangenomen. Hij stipt aan dat de andere familieleden eveneens illegaal op het grondgebied verblijven. De kinderen zouden volgens verweerder het statuut van de ouders moeten volgen en verzoeker toont niet aan dat de kinderen een verblijfsrecht in België genieten. Verweerder vervolgt dat uit de synthesenota blijkt dat wel met het belang van de kinderen is rekening gehouden en dat werd geoordeeld dat de kinderen met de ouders het grondgebied moeten verlaten.
Verzoeker voert vooreerst terecht aan dat noch op de thans bestreden beslissing, noch op het bevel om het grondgebied te verlaten dat aan zijn echtgenote op dezelfde dag werd afgegeven, melding wordt gemaakt van zijn drie minderjarige kinderen, die zoals blijkt uit het administratief dossier, en dat wordt niet betwist door verweerder, steeds deel hebben uitgemaakt van het kerngezin van verzoeker en zijn echtgenote. Verweerder kan in de nota gevolgd worden waar hij stelt dat de minderjarige kinderen geen verblijfsrecht kunnen aantonen. Anderzijds kan wel uit de bevelen afgegeven aan verzoeker en zijn echtgenote van 17 juli 2015 worden afgeleid dat de kinderen op het grondgebied zouden worden gedoogd. Het komt de Raad inderdaad bijzonder onzorgvuldig over dat de gemachtigde heeft nagelaten ofwel de kinderen te vermelden op de thans bestreden beslissing of op het bevel van dezelfde datum van zijn echtgenote, ofwel te motiveren waarom hij in het licht van zijn discretionaire bevoegdheid ervoor heeft geopteerd de kinderen niet samen met hun ouders aan een verwijderingsmaatregel te onderwerpen. Het feit dat de kinderen zouden vermeld zijn op een eerder bevel, doet hieraan geen afbreuk.
Eveneens voert verzoeker aan dat uit de bestreden beslissing niet de minste belangenafweging blijkt in het licht van artikel 8 van het EVRM.
Waar verweerder in de nota verwijst naar de synthesenota in het dossier, meent de Raad dat dit niet volstaat. Uit de bewoordingen van artikel 8 van het EVRM blijkt inderdaad geen formele motiveringsplicht. Doch de Raad meent dat de gemachtigde gehouden is tot een uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en dit als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, waarvan verzoeker eveneens de schending aanvoert. De belangrijkste bestaansreden van deze formele motiveringsplicht bestaat erin dat de betrokkene in de hem aanbelangende beslissing zelf de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, derwijze dat blijkt, of minstens kan worden nagegaan of de overheid is uitgegaan van gegevens die in rechte en in feite juist zijn, of zij die gegevens correct heeft beoordeeld, en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar beslissing is kunnen komen, opdat de betrokkene met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden (RvS 18 januari 2010, nr. 199.583). Een mededeling van de motieven via de neerlegging van het administratief dossier die een synthesenota zou bevatten, nadat het beroep reeds werd ingediend, volstaat in principe niet. Dit brengt immers de wapengelijkheid onder de gedingpartijen in het gedrang (RvS 25 januari 2010, nr. 199.865, DURIEUX en I. OPDEBEEK en M. VAN DAMME, Beginselen van behoorlijk bestuur, Brugge, die Keure, 2006, 145, § 195) en ontneemt verzoeker de mogelijkheid om zijn beroepsrecht terzake naar behoren uit te oefenen (zie HvJ 11 december 2014, C-249/13, Boudjlida, §’n 38-59).
Een schending van de motiveringsplicht in het licht van artikel 8 van het EVRM wordt aangenomen.