Samenvatting
Verzoekende partij betoogt echter in de synthesememorie dat verwerende partij op onzorgvuldige wijze tot de vaststelling is gekomen dat zij niet het slachtoffer zou zijn van “partnergeweld/intrafamiliaal geweld” omdat zij niet zou zijn geslagen door haar echtgenoot. Verzoekende partij voert aan dat partnergeweld immers vele vormen kan aannemen, waarbij zij verwijst naar en citeert uit het verslag “Partnergeweld, rol van de huisarts, februari 2004” (bijlage 4 bij het initieel verzoekschrift). Hierbij wenst zij te benadrukken dat partnergeweld ruimer te begrijpen is dan fysiek geweld alleen. Het gegeven dat de gemachtigde met dit element geen rekening heeft gehouden, getuigt van onzorgvuldig bestuur, aldus verzoekende partij.
Verzoekende partij stelt met andere woorden dat de verwerende partij onzorgvuldig heeft onderzocht of zij wel aanspraak kan maken op de bepalingen van artikel 11, § 2, vierde lid van de vreemdelingenwet, met name de bijzondere bescherming die daar wordt voorzien.
De conclusie in de bestreden beslissing dat verzoekende partij niet kan worden beschouwd als “slachtoffer (…) van geweld in de familie”, steunt derhalve op de vaststelling dat niet blijkt dat er sprake is geweest van fysiek geweld ten opzichte van verzoekende partij: zij zou niet zijn geslagen door haar echtgenoot.
Uit het artikel 11, § 2, vierde lid van de vreemdelingenwet blijkt niet dat het begrip “personen die slachtoffer zijn van geweld in de familie”, beperkt is tot situaties van fysiek geweld.
De Raad wenst er verder op te wijzen dat onder intrafamiliaal of partnergeweld kan worden begrepen de aantasting van de persoonlijke integriteit door lichamelijke, geestelijke of seksuele geweldpleging, belaging en bedreiging waarbij de ernst van de geweldpleging kan variëren van licht naar zeer zwaar.
De omzendbrief nr. COL 3/2006 van het college van procureurs-generaal bij de hoven van beroep, Brussel, 1 maart 2006, houdt een uniforme definitie van het begrip intrafamiliaal geweld voor als “iedere vorm van fysiek, seksueel, psychisch of economisch geweld tussen leden van eenzelfde familie, ongeacht hun leeftijd”.
Omzendbrief nr. COL 4/2006 specifieert de definitie van partnergeweld als “iedere vorm van fysiek, seksueel, psychisch of economisch geweld tussen echtgenoten of personen die samenwonen of samengewoond hebben en tussen wie een duurzame affectieve en seksuele band bestaat of bestaan heeft.” Voor de toepassing van die definitie wordt onder geweld verstaan:
a) alle strafbare gedragingen die door een daad of een verzuim schade berokkenen aan de benadeelde persoon. Dat geweld kan fysiek zijn (bijv. opzettelijke slagen en verwondingen), seksueel (bijv. aanranding van de eerbaarheid of verkrachting), psychisch (bijv. belaging, laster, eerroof, beledigingen) of zelfs economisch (bijv. verlating van familie)
b) maar ook alle gedragingen waarvan, hoewel ze geen misdrijf lijken te zijn, bij de politie of het parket aangifte wordt gedaan en waarvan proces-verbaal wordt opgemaakt onder tenlasteleggingscode 42L (familiaal geschil).
Het nationaal actieplan inzake de strijd tegen het partnergeweld, goedgekeurd op de interministeriële conferentie van 8 februari 2006 definieert partnergeweld als volgt:
"Geweld in intieme relaties is een geheel van gedragingen, handelingen en houdingen van één van de partners of ex-partners die erop gericht zijn de andere te controleren en te domineren. Het omvat fysieke, psychische, seksuele en economische agressie, bedreigingen of geweldplegingen die zich herhalen of kunnen herhalen en die de integriteit van de ander en zelfs zijn sectioprofessionele integratie aantasten.”
Verder wijst de Raad op punt II.1.9. van de omzendbrief van de “Staatssecretaris voor Asiel en Migratie” van 13 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wat betreft de voorwaarden tot gezinshereniging, die door het Grondwettelijk Hof in het arrest nr. 121/2013 van 26 september 2013 geïnterpreteerd werden, waarin het toepassingsgeval van “personen die het slachtoffer zijn van geweld in de familie, die niet langer een gezinscel vormen met de persoon die zij vervoegen en die bescherming nodig hebben”, als volgt wordt toegelicht: “In het eerste geval kan het bewijs worden geleverd door een vonnis of door een proces verbaal met vaststellingen op heterdaad. In het tweede geval kan het om situaties gaan waar er geen vonnis is of die betrekking hebben op andere feiten (bijvoorbeeld psychologische intimidatie).”
De verzoekende partij kan dan ook worden gevolgd in haar stelling dat partnergeweld, d.i. geweld in de familie, verschillende vormen kan aannemen, waaronder het toebrengen van psychologische letsels – d.i. psychisch/geestelijk geweld. Het is derhalve onzorgvuldig om te stellen dat zij geen aanspraak kan maken op de bijzondere bescherming voorzien in artikel 11, § 2, vierde lid van de vreemdelingenwet om de enkele reden dat haar echtgenoot niet zou zijn overgegaan tot fysiek geweld.
Nogmaals daargelaten de vraag of de aanwijzingen van partnergeweld, in casu psychisch geweld, waaraan verzoekende partij werd blootgesteld, zwaarwegend genoeg zijn om in aanmerking te komen voor een bijzondere bescherming, met name een behoud van verblijfsrecht, zoals bedoeld in artikel 11, § 2, vierde lid van de vreemdelingenwet, dient de Raad vast te stellen dat de gemachtigde te dezen zijn beslissing niet zorgvuldig heeft voorbereid door een te beperkende interpretatie te geven aan het in artikel 11, § 2, vierde lid van de vreemdelingenwet bepaalde begrip “personen die slachtoffer zijn van geweld in de familie”. Aldus blijkt dat de gemachtigde in casu niet op zorgvuldige wijze “in het bijzonder rekening [heeft gehouden] met de situatie van personen die het slachtoffer zijn van geweld in de familie, die niet langer een gezinscel vormen met de persoon die zij vervoegden en die bescherming nodig hebben.”
Gelet op wat voorafgaat dient te worden besloten dat de gemachtigde in casu de bestreden beslissing op onvoldoende zorgvuldige wijze heeft onderzocht en gemotiveerd door te stellen dat er geen toepassing diende te worden gemaakt van artikel 11, §2, vierde lid van de vreemdelingenwet omdat verzoekende partij niet door haar echtgenoot is geslagen.
Een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel werd bijgevolg aangetoond.