Samenvatting
Uit de bestreden beslissing blijkt dat de verzoekende partij aangetoond heeft ten laste te zijn geweest in het land van herkomst. De verwerende partij wijst erop dat zij dan ook een D-visum bekomen heeft en op 14 oktober 2010 in het bezit werd gesteld van een F-kaart, doch dat het verblijfsrecht op 13 juni 2012 werd beëindigd omdat de verzoekende partij niet meer samenwoonde met de referentiepersoon en zich bij gebreke aan bestaansmiddelen had moeten wenden tot het OCMW. De verwerende partij meent dat het niet relevant is in hoeverre de verzoekende partij heden terug daadwerkelijk ten laste is van de referentiepersoon in België daar nergens uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij het bevel om het grondgebied te verlaten, dat haar werd betekend naar aanleiding van de beëindiging van haar verblijfsrecht, heeft opgevolgd en niet blijkt dat zij in het land van herkomst opnieuw ten laste viel van haar ouders en in die hoedanigheid terug toepassing kan genieten van artikel 40bis, §2, eerste lid, 3° van de vreemdelingenwet, dat in tegendeel uit het dossier blijkt dat zij enige tijd beroep heeft moeten doen op het OCMW.
De Raad stelt vast dat de verwerende partij de bestreden beslissing tot weigering van verblijf van meer dan drie maanden grondt op artikel 40bis, §2, eerste lid, 3° van de vreemdelingenwet en artikel 52, §4, vijfde lid van het koninklijk besluit van 8 oktober 1981 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: het vreemdelingenbesluit). De bestreden beslissing motiveert immers dat gezien de verzoekende partij niet afdoende heeft aangetoond dat ze voorafgaand aan de aanvraag, teruggekeerd is naar het land van herkomst en aldaar opnieuw ten laste viel van de ouders in België, niet kan worden vastgesteld dat aan de gestelde voorwaarden van artikel 40bis, §2, 3° van de vreemdelingenwet is voldaan om de verzoekende partij verblijfsrecht te kunnen verlenen.
Artikel 52, §4, vijfde lid van het vreemdelingenbesluit luidt als volgt:
“Indien de minister of zijn gemachtigde het recht op verblijf niet erkent, wordt het familielid van deze beslissing kennis gegeven door de afgifte van een document overeenkomstig het model van bijlage 20, dat desgevallend een bevel om het grondgebied te verlaten bevat. Het attest van immatriculatie wordt ingetrokken.”
Artikel 40bis, §2, eerste lid, 3° van de vreemdelingenwet luidt als volgt:
“Als familielid van een burger van de Unie worden beschouwd:
3° de bloedverwanten in neergaande lijn alsmede die van de echtgenoot of partner als bedoeld onder 1° of 2°, beneden de leeftijd van eenentwintig jaar of die te hunnen laste zijn, die hen begeleiden of zich bij hen voegen, voor zover de vreemdeling die vervoegd wordt, zijn echtgenoot of de bedoelde geregistreerde partner over het recht van bewaring beschikt en, indien het recht van bewaring wordt gedeeld, op voorwaarde dat de andere houder van het recht van bewaring zijn toestemming heeft gegeven;”
De verzoekende partij kan gevolgd worden waar zij stelt dat de motivering van de bestreden beslissing strijdig is met de voorwaarden van de wet.
Immers meent de verwerende partij dat aan de voorwaarden van artikel 40bis, §2, eerste lid, 3° van de vreemdelingenwet niet is voldaan doordat de verzoekende partij niet afdoende heeft aangetoond dat ze voorafgaand aan de aanvraag, teruggekeerd is naar het land van herkomst en aldaar terug ten laste viel van de ouders in België. Echter blijkt nergens uit de in de bestreden beslissing aangehaalde wetsbepaling dat vereist wordt dat men een aanvraag dient in te dienen in het land van herkomst of geen voorwerp mag uitmaken van een niet-uitgevoerd bevel om het grondgebied te verlaten