Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 169.072 - 3-06-2016

Samenvatting

De verzoekende partij betoogt dat de verwerende partij voorwaarden toevoegt aan de artikelen 50, §2, 3° van het vreemdelingenbesluit en artikel 40, §4 van de vreemdelingenwet. Zij stelt dat de redenering is dat doordat zij in de afgelopen zes maanden niet voortdurend heeft gewerkt, vermoed kan worden dat zij ook in de nabije toekomst geen werk zal vinden, dat noch artikel 40, §4 van de vreemdelingenwet, noch artikel 50, §2 van het vreemdelingenbesluit bepalen dat de werkzoekende moet aantonen dat hij al gewerkt heeft in de periode tussen de aanvraag en de beslissing, dat hij enkel moet aantonen dat hij een reële kans maakt op werk, zodat elke voorgelegde werkervaring tijdens de periode tussen de aanvraag en de beslissing uiteraard als een aanwijzing van het feit dat zij werk zal kunnen vinden moet worden beschouwd in plaats van het omgekeerde.
 
De verzoekende partij kan gevolgd worden waar zij stelt dat dat noch artikel 40, §4 van de vreemdelingenwet, noch artikel 50, §2 van het vreemdelingenbesluit bepalen dat de werkzoekende moet aantonen dat hij al gewerkt heeft in de periode tussen de aanvraag en de beslissing, dat hij enkel moet aantonen dat hij een reële kans maakt op werk. De verwerende partij voegt geen voorwaarde toe daar nergens uit de bestreden beslissing blijkt dat de verzoekende partij diende aan te tonen al gewerkt te hebben in de periode tussen de aanvraag en de beslissing, zoals de verzoekende partij lijkt voor te houden.
 
De verzoekende partij dient onder meer aan te tonen een reële kans op tewerkstelling te maken. De beoordeling of een Unieburger een reële kans maakt op tewerkstelling komt toe aan de verwerende partij. De verwerende partij oordeelde in de bestreden beslissing dat de verzoekende partij niet overtuigt een reële kans op werk te maken. Betreffende haar tewerkstelling tussen de aanvraag en de beslissing motiveert de verwerende partij “Betrokkene legt een bladzijde voor met adreskaartjes van interimbureaus. Betrokkene heeft sinds de indiening van zijn nieuwe aanvraag tot verklaring van inschrijving op 19/05/2015 slechts enkele dagen gewerkt in juni (2 dagen), in augustus (9 dagen) .september (14 dagen) en in november (1 dag). De interimtewerkstelling die al beperkt was en marginaal te noemen was, is ondertussen bovendien volledig uitgedoofd. Het is niet omdat betrokkene in het verleden de kans kreeg om in interimverband te werken dat automatisch kan verondersteld worden dat betrokkene binnen afzienbare tijd de kans zal krijgen niet-marginaal aan de slag te gaan.” De verzoekende partij meent dat elke voorgelegde werkervaring tijdens de periode tussen de aanvraag en de beslissing uiteraard als een aanwijzing van het feit dat zij werk zal kunnen vinden moet worden beschouwd in plaats van het omgekeerde. Zij is het duidelijk niet eens met het oordeel van de verwerende partij, doch slaagt zij er niet in aan te tonen dat de verwerende partij op grond van incorrecte feiten of op kennelijk onredelijke wijze heeft geoordeeld.
 
De Raad stelt vast dat de verwerende partij op correcte wijze oordeelde dat de verzoekende partij sinds de verklaring van inschrijving op 19 mei 2015 slechts enkele dagen heeft gewerkt, met name 2 dagen in juni, 9 dagen in augustus, 14 dagen in september en 1 dag in november in interimverband en dat deze interimtewerkstelling intussen volledig is uitgedoofd. De Raad stelt, bij nazicht van de stukken van het administratief dossier (Dolsis), dat de vaststellingen in de bestreden beslissing betreffende de tewerkstelling van de verzoekende partij na de verklaring tot inschrijving van 19 mei 2015 correct zijn en zij aldus 26 dagen heeft gewerkt sinds de verklaring tot inschrijving. Eveneens blijkt niet uit de stukken van het administratief dossier dat de verzoekende partij na de laatste werkdag in november 2015, nog zicht had op verdere interimtewerkstelling. Zij maakt niet aannemelijk dat het feit dat zij 26 dagen gewerkt heeft tussen 19 mei 2015 en 13 november 2015 in interimverband en waarbij dient vastgesteld te worden dat geen nieuwe contracten tot interimtewerkstelling voorlagen op het ogenblik van de bestreden beslissing, een aanwijzing is van het feit dat zij wel degelijk een realistische kans maakt op tewerkstelling.
 
De verzoekende partij stelt dat een en ander des te meer geldt nu volgens artikel 50, §2, 3° van het vreemdelingenbesluit rekening dient te worden gehouden met de persoonlijke omstandigheden, zoals de duur van de werkloosheid, dat het feit dat zij tijdens de periode tot aan de beslissing gewerkt heeft betekent dat zij slechts beperkt werkloos is geweest, dat bovendien blijkt uit haar CV dat zij van januari 2003 tot januari 2015 gewerkt heeft als heftruckchauffeur bij verschillende bedrijven met tussendoor slechts beperkte periodes van werkloosheid onder meer van december 2012 tot mei 2014 en sinds februari 2015, dat zij in de laatste dertien jaar voorafgaand aan de aanvraag slechts ongeveer drie jaar werkloos is geweest, zodat indien de verwerende partij rekening had gehouden met de periode van werkloosheid zij had moeten vaststellen dat deze slechts beperkt was geweest zodat dit wel degelijk een indicatie was van het feit dat de verzoekende partij een realistische kans op tewerkstelling maakt.
 
De Raad verwijst voor wat betreft het werken en het ‘beperkt’ werkloos zijn vanaf de aanvraag tot aan de beslissing als indicatie voor het beoordelen van de reële kans op tewerkstelling op wat hieromtrent reeds werd gesteld in onderhavig arrest. Betreffende haar werkervaring en werkloosheid voor de verklaring van inschrijving, stelt de Raad vast dat de verwerende partij deze in rekening heeft genomen en gewezen heeft op de werkervaring van de verzoekende partij zoals die blijkt uit het door haar voorgelegde curriculum vitae, doch oordeelde ““Niettegenstaande de werkervaring waarnaar betrokkene verwijst in zijn curriculum vitae en de getuigschriften die hij na zijn lager onderwijs nog behaalde waaronder een attest van heftruckbestuurder en attest van reachtruckbestuurder, blijven de resultaten van zijn zoektocht naar werk op dit ogenblik beperkt en overtuigen zij niet voor wat betreft zijn reële kansen op niet- marginale tewerkstelling op de Belgische arbeidsmarkt.” Hieruit blijkt dat de verwerende partij de werkervaring in haar oordeel over de reële kansen op tewerkstelling heeft betrokken maar stelde dat hoewel de verzoekende partij onder meer werkervaring bezat, de resultaten van de zoektocht naar werk op dit ogenblik beperkt bleven. De verzoekende partij weerlegt deze vaststelling niet, noch toont zij aan dat deze kennelijk onredelijk is, zoals blijkt uit onderhavig arrest. De verzoekende partij toont niet aan dat het feit op zich in het verleden, voor de aanvraag, beperkt werkloos te zijn geweest, daargelaten de beoordeling van de ‘beperktheid’ van deze werkloosheid, automatisch moet leiden tot de vaststelling dat de verzoekende partij een reële kans op tewerkstelling op de Belgische arbeidsmarkt maakt.