Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 170.076 - 17-06-2016

Samenvatting

De Raad merkt in dit kader vooreerst op dat de regeling van artikel 39/82, §4, tweede lid, van de Vreemdelingenwet de verzoekers enkel de mogelijkheid onthoudt om tegen de weigering tot afgifte van een humanitair visum een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid in te stellen. De genoemde bepaling verhindert verzoekers niet om een gewone vordering tot schorsing of een beroep tot nietigverklaring in te dienen tegen de bestreden beslissing.
 
Uit de thans voorliggende stukken blijkt dat verzoekers thans verblijven te Damascus in Syrië. Verzoekers laten na te preciseren en aan te tonen waar en in welke omstandigheden ze in Damascus verblijven. In hun verzoekschrift voeren verzoekers voorts aan dat ze moeite hebben om te voorzien in hun dagelijkse behoeften, en nauwelijks toegang hebben tot de noodzakelijke medische voorzieningen. In dit verband wijst de Raad erop dat verzoekers geen begin van bewijs bijbrengen dat zij niet in hun levensbehoeften kunnen voorzien of dat zij heden medische zorgen nodig hebben. Verzoekers tonen niet aan dat ze zich in een zeer precaire verblijfstoestand in Damascus bevinden. Verzoekers brengen weinig op hun toepasselijk concrete elementen aan die aantonen dat het afwachten van de duur van de gewone procedure tot gevolg kan hebben dat niet tijdig kan worden geremedieerd aan hun grieven tegen de bestreden beslissingen. Waar verzoekers stellen dat de behandelingstermijn van beroepen tot nietigverklaring en vorderingen tot schorsing immers een aantal maanden tot jaren duurt, wijst de Raad erop dat dit een louter hypothetisch betoog is, die op zich geen aanleiding kan geven om artikel 39/82, §4, tweede lid, van de Vreemdelingenwet niet tegen te werpen.
Waar verzoekers hun wens uiten om hun ouders, respectievelijk schoonouders en grootouders, te vervoegen, en stellen dat ze door de bestreden beslissing verwijderd blijven van voormelde personen die hen emotioneel ondersteunen en de nodige veiligheid en rust kunnen brengen, wijst de Raad erop dat deze elementen de grond van de zaak betreffen. Deze elementen vormen geen reden om artikel 39/82, §4, tweede lid, van de Vreemdelingenwet niet tegen te werpen.
 
Waar verzoekers verwijzen naar arresten van de Raad, wordt erop gewezen dat deze geen precedentenwerking hebben.
 
Waar verzoekers uiteenzetten dat ze diligent opgetreden hebben, wijst de Raad erop dat in casu niet betwist wordt dat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing tijdig ingediend werd.
 
Om deze redenen meent de Raad dat in voorliggend geval er onvoldoende bijzondere en specifieke feiten en omstandigheden aangetoond worden die ertoe nopen artikel 39/82, §4, tweede lid, van de Vreemdelingenwet niet tegen te werpen.