Samenvatting
Op 30 juni 2016 besloot het EHRM dat Italië het EVRM heeft geschonden door geen verblijfstitel af te leveren aan een Nieuw-Zeelandse man die een stabiele relatie had met een Italiaanse man. Doordat ze op basis van de Italiaanse wet niet konden huwen, kwam de man niet in aanmerking voor gezinshereniging en kon hem vervolgens geen verblijfstitel worden afgeleverd.
Feiten: weigering van gezinshereniging aan Italiaans- Nieuw-Zeelands homokoppel in Italië
De verzoekers, een Italiaanse en Nieuw-Zeelandse man, zijn sinds 1999 een koppel. Om gezondheidsredenen moet het koppel in 2003 naar Italië verhuizen. De Italiaanse overheid weigert de verblijfstitel voor Mr. McCall. Onder de toenmalige Italiaanse gezinsherenigingswet werden enkel echtgenoten beschouwd als “gezinsleden”. Samenwonende partners kwamen dus niet in aanmerking voor gezinshereniging. Nadat er eerst een positieve beslissing werd genomen door de rechtbank van eerste aanleg, heeft het Hof van beroep van Firenze, op verzoek van het ministerie van Binnenlandse zaken, de weigering bevestigd. Het Italiaanse Hof van Cassatie heeft in 2009 het cassatieberoep van de verzoekers geweigerd. Nadien zijn ze naar Nederland verhuisd, waar Mr. McCall een verblijfstitel als de facto partner van Mr. Taddeucci heeft bekomen. Voor het Europees Hof voor de Rechten van de Mens roepen de verzoekers artikel 14 (discriminatieverbod) juncto 8 (recht op gezinsleven) in.
Onrechtstreekse discriminatie op basis van de seksuele geaardheid: schending van artikel 14 juncto 8 van het EVRM
Het EHRM stelt vast dat de grond voor de weigering van de gezinshereniging niet rechtsreeks verbonden is aan de seksuele geaardheid van de verzoekers. Onder de toenmalige Italiaanse wet kon geen enkel ongehuwde partner als “gezinslid” beschouwd worden. De uitsluiting betrof zowel hetero- als homoseksuele ongehuwde koppels. Maar enkel de heteroseksuele koppels konden hun situatie via een huwelijk in Italië regulariseren. Homo koppels hadden geen toegang tot het huwelijk of een burgerlijk partnerschap om “gezinslid” te worden en een verblijfstitel voor de partner-derdelander te bekomen. Het EHRM merkt op dat de verzoekers een stabiel koppel vormen: ze hebben het statuut van ongehuwd koppel in Nieuw Zeeland en zijn nadien in Nederland getrouwd (om persoonlijke en niet om verblijfsredenen aangezien een verblijfstitel al werd afgeleverd op basis van de de facto relatie). Hun situatie is dus niet vergelijkbaar met die van een heteroseksueel koppel dat om persoonlijke redenen beslist om zich niet te engageren in een huwelijk of een burgerlijke partnerschap.
Artikel 14 EVRM viseert verschillen in behandeling voor groepen die zich in een vergelijkbare situatie bevinden maar betreft ook de gelijke behandeling voor groepen die zich in verschillende situaties bevinden. De Italiaanse administratie en rechters hebben de verzoeker uitgesloten van de definitie van “gezinslid” in het kader van de gezinshereniging, zoals een ongehuwde heteroseksuele partner, maar zonder rekening te houden met de omstandigheid dat hij, als homopartner, zijn situatie niet via huwelijk of partnerschap kon regelen. Het EHRM komt dus tot het besluit dat de Italiaanse overheid de verzoekers hebben gediscrimineerd op basis van hun seksuele geaardheid en kent de verzoekers 20.000 euro schadevergoeding toe.
Tot nu toe, durfden de rechters in Straatsburg (nog) niet beslissen dat de artikelen 8 en 14 van het EVRM de Staten de verplichting opleggen om het homohuwelijk wettelijk mogelijk te maken. Maar het is nu duidelijk dat die artikelen geschonden worden als het gebrek van een homohuwelijk of -partnerschap in een Verdragsstaat een onoverkomelijk obstakel vormt voor de gezinshereniging en als dat gebrek niet gecompenseerd wordt door een gunstige interpretatie van de bestaande regelgeving.
De interessante bijdragen van derde partijen (o.m. European Commission on Sexual Orientation Law, International Commission of Jurists en LGBT organisaties) en de opinies van rechters Spano en Bianku, enerzijds, en Sicilianos anderzijds (die tegen zijn collega’s heeft gestemd omdat hij in deze zaak geen discriminatie ziet maar voorstander was van een onderzoek puur op basis van artikel 8, wat spijtig genoeg ontbreekt) tonen dat deze problematiek nog zeker zal evolueren.