Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 170.819 - 29-06-2016

Samenvatting

Het staat niet ter betwisting dat verzoekster en haar zoon afkomstig zijn uit Bagdad en soennieten zijn.
 
Uit de landeninformatie in het dossier blijkt dat soennieten in Bagdad grotere risico’s lopen dan sjiieten. Verzoekster voert aan dat zij als soennitische een gegronde vrees voor vervolging heeft. De COI Focus “Irak, de veiligheidssituatie in Bagdad” van 31 maart 2016 stelt (p.25): “Soennieten in Bagdad lopen een groter risico om slachtoffer te worden van sjiitische milities dan sjiieten. Deze milities handelen in feitelijke straffeloosheid, en de overheid is niet willens of niet machtig om hen te beteugelen”.
 
Echter, te dezen dringt zich een toekomstgerichte beoordeling van de vrees voor vervolging op ingevolge de medische problematiek van verzoeksters zoon en op basis van de onbetwiste vaststelling dat zowel verzoekster als haar zoon soenniet zijn.
 
Het is immers een algemeen principe dat bij de beoordeling van de vluchtelingenstatus de ‘vrees voor vervolging’ (artikel 48/3, §5 vreemdelingenwet) een toekomstgericht onderzoek vereist. Bescherming dient niet alleen te worden geboden aan personen die reeds werden vervolgd, maar ook aan de personen die het risico lopen te zullen worden vervolgd. Het Hof van Justitie van de Europese Unie stelt hieromtrent: “In dit verband moet worden vastgesteld dat in het stelsel van de richtlijn de bevoegde autoriteiten, wanneer zij overeenkomstig artikel 2, sub c, van de richtlijn [2004/83/EG] beoordelen of een verzoeker een gegronde vrees heeft te worden vervolgd, zich ervan vergewissen of de gebleken omstandigheden een zodanige bedreiging voor de betrokkene vormen dat hij een gegronde vrees heeft om, gelet op zijn persoonlijke situatie, daadwerkelijk te worden vervolgd. (eigen vetzetting)” (HvJ, 5 september 2012, Bundesrepublik Deutschland tegen Y en Z, gevoegde zaken C-71/11 en C-99/11, §76).
 
Het ‘Handbook and Guidelines on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status (Genève, December 2011)’ van UNHCR stelt (cf. §45): “However, the word “fear” refers not only to persons who have actually been persecuted, but also to those who wish to avoid a situation entailing the risk of persecution.” (eigen vertaling: “Echter, het woord “vrees” verwijst niet alleen naar de personen die reeds werkelijk werden vervolgd, maar ook naar hen die een situatie wensen te vermijden die het risico op vervolging met zich zou meebrengen.”)
 
Inzake de twaalfjarige zoon van verzoekster, dient overweging 18 uit Richtlijn 2011/95/EU bij de beoordeling te worden betrokken. Deze overweging luidt als volgt: “Het „belang van het kind” dient bij de uitvoering van deze richtlijn een van de hoofdoverwegingen van de lidstaten te zijn, overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 1989. Bij de beoordeling van het belang van het kind dienen de lidstaten met name terdege rekening te houden met het beginsel van eenheid van gezin, het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige,  overwegingen van veiligheid en de opvattingen van de minderjarige, in overeenstemming met zijn leeftijd en maturiteit.”
 
Ingevolge de medische problematiek van verzoeksters zoon Hussain, in casu een ernstige oppositioneel-opstandige gedragsstoornis (ODD) die zich onder meer uit in ongecontroleerd argumentatief of uitdagend gedrag, heeft deze persoon een gegronde vrees voor vervolging op basis van het feit dat hij soenniet is. Hoewel het begrip ‘gegronde vrees’ een subjectief en objectief element behelst en verzoeksters zoon omwille van zijn mentale handicap bezwaarlijk zijn subjectieve vrees kan te kennen geven, blijkt dat deze medische problematiek omwille van de actuele situatie in Bagdad (de objectieve elementen om de vrees aan te toetsen), een gegronde vrees voor vervolging insluit. Verzoekster stelt op basis van de door haar toegevoegde landeninformatie terecht: “Soennieten zijn het slachtoffer van mishandelingen, uithuiszettingen, ontvoeringen en moorden. De Sjiitische milities hebben hechte banden met de Iraakse overheid en veiligheidsdiensten, en bemannen mee checkpoints. In totaal zijn er zo’n 200 check-points in Bagdad, waar gecontroleerd kan worden tot welke religieuze tak iemand behoort. Soennieten proberen hun religie te verbergen aan deze checkpoints, om niet in de  problemen te komen.” In deze omstandigheden is het plausibel dat wanneer verzoeksters zoon zich ingevolge verplaatsingen omwille van zijn normale dagelijkse activiteiten aan één van de vele checkpoints zou bevinden, hij door zijn ernstige oppositioneel-opstandige gedragsstoornis in de negatieve aandacht zou komen van de personen die deze checkpoints bemannen. Verzoeksters zoon heeft door het feit een soenniet te zijn met een ernstige mentale handicap, gelet op de situatie in Bagdad (en bij uitbreiding Irak), een gegronde vrees voor vervolging.
 
Het blijkt tevens uit de stukken – en het kon door de Raad ook ter zitting worden vastgesteld – dat het voor verzoeksters zoon onmogelijk is om zich wegens zijn ernstige mentale handicap zelfstandig te functioneren. Hoger werd vastgesteld dat er reeds aanzienlijke problemen verbonden zijn aan het zich louter verplaatsen binnen Bagdad. Verzoeksters zoon heeft onmiskenbaar steeds de aandacht en de  hulp van zijn moeder (en grootmoeder) nodig.
 
Dienvolgens kan in hoofde van verzoekster ook een gegronde vrees voor vervolging worden vastgesteld omwille van de ernstige medische problematiek van haar zoon aangezien zij, als soenniet, door diens gedrag ook in de negatieve aandacht zal komen van de (sjiitische) personen en milities zonder hiertegen beschermingsmogelijkheden te hebben van de Iraakse autoriteiten.