Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 172.452 - 27-07-2016

Samenvatting

De commissaris-generaal heeft de aangehaalde feiten bovendien ook ernstig genomen aangezien hij zijn eerste beslissing introk en dat hij dus achtte dat de klacht van verzoekster genoeg concrete en precieze elementen bevatte om deze beslissing in te trekken en tot een nieuw verhoor overgaan. Volgens het verzoekschrift werd bij de aanvang van het tweede CGVS-gehoor gesteld dat deze tolk werd geschorst tot het onderzoek naar aanleiding van verzoeksters klacht duidelijkheid biedt. Ter terechtzitting wordt dit niet betwist. Er kan dus worden aangenomen dat ook de commissaris-generaal de feiten ernstig nam.
 
Aangezien de commissaris-generaal bij de aanstelling van de tolk voor het eerste CGVS-gehoor
in het ongewisse was van enige voorgeschiedenis tussen de tolk en verzoekster kon hij geen rekening houden met de bijzondere situatie van verzoekster zoals bepaald in artikel 20 § 2 van het Koninklijk besluit tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen van 11 juli 2003. Hetzelfde kan niet gezegd worden voor de tolk. Immers artikel 21/1 van dit Rechtplegingsbesluit van het CGVS van 11 juli 2003 stelt: “Indien de tolk tijdens het gehoor vaststelt dat er tussen de asielzoeker en hem een belangenconflict bestaat, meldt hij dit aan de ambtenaar. De ambtenaar onderzoekt het belangenconflict en, indien nodig, wordt overgegaan tot de aanwijzing van een andere op het Commissariaat-generaal aanwezige tolk die één van de talen gesproken door de asielzoeker beheerst.”. Aldus gelet op artikel 21/1 van het bovenvermeld Rechtsplegingsbesluit van 11 juli 2003 had de tolk de plicht te melden dat mogelijke belangenconflicten konden spelen nu hij kon veronderstellen dat verzoekster de objectiviteit van de vertalingen kon betwisten.
 
Verzoekster kan immers niet verweten worden dat zij ervan uitging, en erop vertrouwde, dat de
Belgische overheid de ernst en professionaliteit van haar medewerkers, incluis de tolken, kon garanderen. Zoals in het verzoekschrift wordt aangevoerd, werd bij aanvang van het gehoor uitdrukkelijk “uitgelegd dat de tolk alle vragen en antwoorden letterlijk zal vertalen en geen invloed heeft op de beslissing die genomen zal worden”. Het is dan ook niet ernstig dat de bestreden beslissing meent dat verzoekster alle verantwoordelijkheid diende te dragen om het eerste CGVS-gehoor te verhinderen met deze tolk, ook al had zij hiertoe gelet op artikel 21 van het Rechtsplegingsbesluit van het CGVS van 11 juli 2003 de mogelijkheid om aan het begin van het gehoor of tijdens het verloop van het CGVS-gehoor te vragen dat een andere tolk wordt aangeduid.
 
In de asielprocedure is de taak van de tolk essentieel en kan mogelijk doorslaggevend zijn bij het onderzoek en de besluitvorming. Er is dan ook weinig marge bij de beoordeling van (de schijn van) subjectieve partijdigheid in hoofde van de tolk wanneer het hele beslissingsproces in gevaar kan komen, zeker wanneer, zoals in casu, verzoekster geen westerse taal machtig is en enkel haar moedertaal spreekt. Verzoekster had dan ook tijdens het interview geen mogelijkheid om de vertaling van de gezegden te controleren, ook al was ze bijzonder alert en heeft ze bij de enkele aanwijzingen in die richting alsnog getracht een tolk te bellen die haar bezorgdheid kon melden aan haar advocaat met wie ze omwille van de taal niet rechtstreeks kon communiceren (zie § 2.4.).
 
De commissaris-generaal had in dit geval minstens met de nodige terughoudendheid dienen te
handelen. Het zorgvuldigheidsbeginsel legt immers op dat de commissaris-generaal zijn beslissingen zorgvuldig voorbereidt en deze stoelt op een correcte feitenvinding (RvS 2 februari 2007, nr. 167.411; RvS 14 februari 2006, nr. 154.954), wat gezien het aangevoerde ernstig persoonlijk conflict tussen de tolk en verzoekster inhoudt dat het eerste verhoor buiten de debatten diende te worden gehouden. Dat de commissaris-generaal zorgvuldig is tewerk gegaan, kan derhalve niet blijken.