Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 172.660 - 28-07-2016

Samenvatting

De Raad merkt op dat de duur van het inreisverbod overeenkomstig artikel 74/11, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet moet worden vastgesteld door rekening te houden met de specifieke omstandigheden van het geval. In de bestreden beslissingen wordt letterlijk vermeld dat een inreisverbod van drie jaar wordt opgelegd "omdat niet aan de terugkeerverplichting werd voldaan", waarna wordt verwezen naar het bevel om het grondgebied te verlaten. Dit kan niet worden aanzien als een motivering wat de duur van het inreisverbod betreft, noch een verwijzing naar "specifieke omstandigheden van het geval". Het gaat immers slechts om de vaststelling dat een vroegere beslissing tot verwijdering niet werd uitgevoerd. Overeenkomstig artikel 74/11, § 1, tweede lid, van de vreemdelingenwet vormt dit enkel de reden waarom een inreisverbod wordt opgelegd, doch geen motivering voor de duur ervan. De loutere vaststelling dat verzoekers een aanvraag om machtiging tot verblijf op grond van artikel 9bis van de vreemdelingenwet hebben ingediend, betreft slechts een administratieve vaststelling, doch houdt geen verband met een in artikel 74/11, eerste lid, 2°, van de vreemdelingenwet bedoelde specifieke omstandigheden van het geval (cf. RvS 22 maart 2016, nr. 234.225). De verwerende partij kan niet worden bijgetreden waar zij poneert dat afdoende zou blijken “om welke reden het inreisverbod van drie jaar aan de verzoekende partij diende te worden betekend”.