Samenvatting
De Raad stelt vooreerst vast dat verweerder uitdrukkelijk stelt dat verzoeker “enigszins” kennis heeft van zijn regio. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift tal van voorbeelden gegeven uit het gehoorverslag waaruit blijkt dat hij in elk geval op zeer gedetailleerde wijze heeft geantwoord op vragen aangaande onder meer bazaars in de regio, de weg die hij aflegt tussen zijn dorp en bepaalde bazaars, de prijs van graan en maïs, het Afghaanse geld (briefjes en munten), hij tal van dorpen kan opsommen in zijn buurt en district en lokale radiozenders heeft benoemd.
(…)
Verweerder heeft in casu geen gedetailleerde kaart van de omgeving van het dorp endrani aan de landeninformatie gevoegd. Voormelde antwoorden komen op het eerste zicht zeer spontaan, gedetailleerd en doorleefd over. De Raad is echter in de onmogelijkheid om na te gaan of de gegevens feitelijk juist zijn. Er blijkt evenmin dat verweerder zelf aan de hand van gedetailleerde kaarten enigszins is nagegaan of al deze uitgebreide informatie over de directe leefomgeving van verzoeker correct is, hetgeen nochtans voor de Raad van primordiaal belang is gezien verzoeker een profiel van een laaggeschoolde landbouwer voorhoudt en zoals supra gesteld kennis van de ruimere leefomgeving minder doorslaggevend is en er alleszins niet kan toe leiden dat de onwetendheid inzake feitelijke gegevens binnen de onmiddellijke leefomgeving die de beoordeling het meest bepalen, buiten beschouwing wordt gelaten. Verweerder heeft enkel aangenomen, en het is onduidelijk op grond van welk onderzoek, dat verzoeker “enigszins” kennis heeft over zijn regio. Verzoeker haalt aan op de gronden van de familie gewerkt te hebben als landbouwer en kan uitleggen welke stappen hij doorloopt om graan te verbouwen, in welke maand men de grond begint voor te bereiden (aqrab) en wanneer er wordt gezaaid (qaws) en geoogst (jawza). Ter zitting legt verzoeker eveneens originele stukken voor die de grondeigendom van diens familie zou moeten aantonen. Opnieuw beschikt de Raad niet overessentiële informatie aangaande de Afghaanse kalender, noch of het aannemelijk is dat in de door verzoeker aangehaalde perioden effectief aan grondvoorbereiding, zaaien of oogsten wordt gedaan. Het ontbreekt de Raad eveneens aan onderzoeksbevoegdheid om de gevoegde onvertaalde stukken te beoordelen.