Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 188.521 - 16-06-2017

Samenvatting

Uit het bovenstaande volgt dat in situaties waar er geen nauwkeurige positieve verplichtingen zijn, bv. wegens niet voldoen aan een wettelijke voorwaarde, de richtlijn 2003/86/EG voorziet dat er een individueel onderzoek en belangenafweging moet zijn in het licht van artikelen 17 en 5, lid 5 van de richtlijn, begrepen tegen de achtergrond van de doelstelling van de richtlijn en het nuttig effect ervan, de artikelen 7 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 8 van het EVRM en het belang van het kind.
 
Dit noopt tot een concrete beoordeling van de individuele situatie en verplicht de lidstaten ertoe om voor ieder individueel geval een algehele beoordeling van alle relevante factoren en omstandigheden te maken. Bij de behandeling van verzoeken om gezinshereniging moet een evenwichtige en redelijke beoordeling van alle in het geding zijnde belangen worden gemaakt. Bij deze belangenafweging hebben lidstaten een beoordelingsmarge, hier is de positieve verplichting niet nauwkeurig omdat lidstaten een handelings-vrijheid hebben in zoverre zij de relevante factoren en omstandigheden in elk individueel geval terdege in aanmerking nemen en hun handelingsvrijheid redelijk invullen. Indien deze afweging in het voordeel van de vreemdeling uitdraait, dan volgt een positieve verplichting uit artikel 8 van het EVRM, hetgeen inhoudt dat de lidstaat het verzoek om gezinshereniging moet aanvaarden.
 
In het kader van artikel 8 van het EVRM, verwijzen verzoekers in hun verzoekschrift naar de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) in drie zaken die de specifieke noden van vluchtelingen met betrekking tot gezinshereniging benadrukt. Uit deze drie zaken blijkt dat aanvragen om gezinshereniging met erkende vluchtelingen met gepaste zorgvuldigheid moeten worden onderzocht in het licht van de kwetsbaarheid van de betrokkenen en met aandacht voor pertinente argumenten. Dit houdt in dat staten een gezinsherenigingsprocedure moeten hanteren waarbij rekening wordt gehouden met de gebeurtenissen die de gezinslevens van betrokkenen hebben verstoord en die tot hun erkenning als vluchteling hebben geleid. Het EHRM benadrukte dat er een internationale en Europese consensus bestaat dat vluchtelingen een meer gunstige gezinsherenigingsprocedure dan andere vreemdelingen moeten genieten en dat ngo’s er voor ijveren dat Staten andere bewijzen van gezinsbanden in overweging nemen wanneer de vluchteling niet in staat is om officiële documenten voor te leggen. Het EHRM verwees eveneens naar het VN-Kinderrechtenverdrag dat bepaalt dat aanvragen om gezinshereniging worden onderzocht met soepelheid en menselijkheid, wat door de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa eveneens werd ondersteund. Het EHRM wees ook op de richtlijn 2003/86/EG die bepaalt dat in het bijzonder rekening moet worden gehouden met het belang van het kind. In deze drie zaken kwam het EHRM dan ook tot de bevinding dat de Franse overheden, ondanks de beoordelingsmarge waarover ze beschikken, niet voldoende rekening hadden gehouden met de specifieke omstandigheden van de verzoekers. Het EHRM besloot dat de gezinsherenigingsprocedure niet de vereiste waarborgen inhield inzake flexibiliteit, snelheid en effectiviteit om het recht van de verzoekers op eerbiediging van hun gezinsleven te doen naleven. Om deze reden, bleef Frankrijk in gebreke om billijke belangenafweging te maken.
 
(…)
 
Met betrekking tot gezinshereniging van personen die internationale bescherming genieten en het ontbreken van officiële bewijsstukken, wordt in de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement betreffende richtsnoeren voor de toepassing van Richtlijn 2003/86/EG inzake het recht op gezinshereniging (Brussel, 3 april 2014, COM(2014) 210 definitief, 22-23), die als gezaghebbend wordt beschouwd, het volgende gesteld:
 
(…)
 
Uit het gehoorverslag bij het CGVS, dat bij de visumaanvraag werd gevoegd en dat door de verwerende partij ook nog eens integraal bij het CGVS werd opgevraagd, blijkt dat het volledige asielrelaas van de heer E.N. betrekking heeft op de liefdesrelatie tussen hem en mevrouw A.K.H., in casu de verzoekster.
 
Aangezien de heer E.N. sjiiet is, vond deze relatie geen genade in de ogen van de familie van verzoekster. Er werd geen toestemming tot huwelijk gegeven. Toen een gedwongen huwelijk tussen haar en haar neef werd gepland, is verzoekster weggelopen. Zij en de heer E.N. zijn vervolgens op 9 maart 2012 religieus gehuwd. Op 2 februari 2013 werd hun zoon geboren. De heer E.N. verklaarde vervolging te vrezen vanwege zijn schoonvader, die zijn echtgenote als een overspelige vrouw beschouwt en wil dat zij alsook hun illegaal kind sterft. Deze schoonvader is hooggeplaatst binnen het Iraakse ministerie van Binnenlandse Zaken. De heer E.N. werd als vluchteling erkend op 22 december 2014. Verzoekers voeren aan dat dit gegeven impliceert dat zijn vrees geloofwaardig en gegrond werd bevonden.
 
Bij de visumaanvraag werden ook volgende documenten gevoegd:
- een niet officieel religieus huwelijkscontract tussen verzoekster en de heer E.N. van 9 maart 2012,
- een vonnis van de rechtbank van 15 december 2013 betreffende de bevestiging van het religieus huwelijk tussen de heer A.A.A en verzoekster,
- een geboorteakte voor de minderjarige verzoeker waarbij de heer A.A.A als vader wordt vermeld van 2 februari 2013.
 
(…)
 
In de bestreden beslissingen wordt, na bespreking van de voorgelegde documenten (niet officieel religieus huwelijkscontract tussen verzoekster en de heer E.N. van 9 maart 2012, vonnis van de rechtbank van 15 december 2013 betreffende de bevestiging van het religieus huwelijk tussen de heer A.A.A en verzoekster, en geboorteakte voor de minderjarige verzoeker waarbij de heer A.A.A als vader wordt vermeld van 2 februari 2013) besloten “dat er geen enkele officiële verwantschapsband bestaat tussen de aanvragers en de te vervoegen persoon in België: mevrouw is officieel gehuwd met een andere man die ook officieel de vader is van het kind”.
 
Er wordt in de bestreden beslissingen echter geheel niet ingegaan op de informatie die door de raadsman van verzoekers werd gevoegd aan de visumaanvragen, met name “de complexe inhoud van het dossier, en de inhoud van de asielaanvraag van M.E.N.” In de begeleidende brief van 11 augustus 2015 werd immers uiteengezet en een verantwoording gegeven waarom verzoekers een huwelijksakte en geboorteakte voorlegden waarop een andere man vermeld staat als echtgenoot en vader, dan de heer E.N. Daarbij werd het asielrelaas van de heer E.N. benadrukt waarvan de kern betrekking heeft op de “verboden” liefdesrelatie tussen de heer E.N. en verzoekster. Verzoekers kunnen terecht aanvoeren dat de erkenning van de vluchtelingenstatus impliceert dat dit asielrelaas geloofwaardig en gegrond werd bevonden, hetgeen door de verwerende partij in de nota niet wordt betwist.
 
Uit de bestreden beslissingen blijkt aldus niet dat bij het beoordelen van het bestaan van de ingeroepen gezinsbanden rekening werd gehouden met alle relevante factoren en omstandigheden eigen aan de zaak, met name de door raadsman verschafte context en achtergrond voor wat betreft de huwelijks- en geboorteakte waarop een andere man staat vermeld dan de heer E.N., essentiële elementen die de visumaanvragen van verzoekers kenmerken. Evenmin blijkt dat met gepaste zorgvuldigheid rekening werd gehouden met de kwetsbaarheid van betrokkenen en de gebeurtenissen die de gezinslevens van betrokkenen hebben verstoord en die tot de erkenning van de heer E.N. als vluchteling hebben geleid, met name zijn asielrelaas. Ten slotte stelt de Raad vast dat uit de bestreden beslissingen niet blijkt dat een evenwichtige en redelijke beoordeling van alle in het geding zijnde belangen werd gemaakt, nu de verwerende partij zich zonder meer beperkt tot de enkele stelling dat “het officiële huwelijk primeert”.
 
(…)
 
Gelet op de elementen die deze zaak kenmerken, stelt de Raad vast dat de motiveringsplicht, in het licht van artikelen 17 en 5, lid 5 van de richtlijn 2003/86/EG, begrepen tegen de achtergrond van de doelstelling van de richtlijn en het nuttig effect ervan, de artikelen 7 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, artikel 8 van het EVRM, en artikel 12bis, § 5 van de Vreemdelingenwet, is geschonden.