Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 150.774 - 13-08-2015

Samenvatting

Verzoekster wijst erop dat zij verweerder er op duidelijke wijze van in kennis heeft gesteld dat de referentiepersoon tevens de Griekse nationaliteit heeft en dat zij aldus wel degelijk gerechtigd is om een aanvraag in te dienen op grond van de bepalingen van artikel 40bis van de Vreemdelingenwet. Nu de door verzoekster vermelde feiten als bewezen moeten worden geacht, tenzij deze feiten kennelijk onjuist zijn, dient in het kader van huidige procedure te worden aangenomen dat de referentiepersoon de dubbele Belgisch-Griekse nationaliteit heeft.
 
Verweerder lijkt aan te nemen dat een persoon met een dubbele nationaliteit waaronder de Belgische in het Belgische rechtsverkeer steeds als een Belgische onderdaan is te beschouwen, waardoor artikel 40ter en niet artikel 40bis van de Vreemdelingenwet toepassing vindt. Enige wettelijke grond wordt in dit verband niet naar voor gebracht. In zoverre in dit verband veelal wordt verwezen naar artikel 3 van het Wetboek Internationaal Privaatrecht (hierna: WIPR) wijst de Raad er na beraad op dat luidens artikel 2 het WIPR de volgende werkingssfeer heeft: “Onder voorbehoud van de toepassing van internationale verdragen, van het recht van de Europese Unie of van bepalingen in bijzondere wetten, regelt deze wet voor internationale gevallen de bevoegdheid van de Belgische rechters, de aanwijzing van het toepasselijk recht en de voorwaarden voor de uitwerking in België van buitenlandse rechterlijke beslissingen en authentieke akten in burgerlijke zaken en in handelszaken.” Artikel 3 bepaalt dat de verwijzingen naar nationaliteit in het WIPR, de Belgische nationaliteit beoogt indien een persoon over meerdere nationaliteiten beschikt. Nationaliteit is één van de aanknopingsfactoren die in het Belgisch WIPR worden gehanteerd voor de toekenning van bevoegdheid en/of de aanduiding van het toepasselijke recht. In casu moet worden vastgesteld dat de beoordeling van een verblijfsaanvraag buiten de toepassing van het WIPR valt. Aangezien de verblijfsaanvraag betrekking heeft op een familielid van een Unieburger, dient het nationaliteitsconflict in casu te worden opgelost middels toepassing van het Unierecht.
 
Uit de zaak McCarthy (HvJ 5 mei 2001, C-434/09, pt. 30-43) volgt dat een Unieburger die nooit zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend en altijd heeft verbleven in een lidstaat waarvan hij de nationaliteit bezit, niet valt onder de werkingssfeer van de richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten van de Unie en hun familieleden (Pb.L. 29 juni 2004, afl. 229; hierna: de Burgerschapsrichtlijn). Het feit dat de betrokken referentiepersoon, burger van de Unie tevens de nationaliteit van een andere lidstaat bezit dan die waarin hij verblijft, doet niets af aan deze vaststelling. Dat een burger van de Unie de nationaliteit van meer dan een lidstaat bezit, betekent immers niet dat hij zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend.
 
Het is dus van belang te weten of de referentiepersoon, in het licht van haar dubbele nationaliteit, al dan niet moet worden beschouwd als een Unieburger die zijn recht van vrij verkeer heeft uitgeoefend.
 
Gelet op hetgeen voorafgaat, sluit de dubbele Belgisch-Griekse nationaliteit van de referentiepersoon niet uit dat de Burgerschapsrichtlijn van toepassing is en kan niet zonder meer worden aangenomen dat een zuiver interne situatie voorligt.
 
Door te oordelen dat verzoeksters verblijfsaanvraag niet in overweging kan worden genomen omdat de referentiepersoon ondanks haar dubbele Belgisch-Griekse nationaliteit steeds als Belg is te beschouwen waardoor artikel 40ter van de Vreemdelingenwet toepassing vindt dat een gezinsherenging als ascendent van een meerderjarige Belg uitsluit, terwijl het in geen geval is uitgesloten dat zij zich wel degelijk kan beroepen op de bepalingen van artikel 40bis van de Vreemdelingenwet, kan worden aangenomen de bestreden beslissing de rechtstoestand van verzoekster onmiddellijk en rechtstreeks nadelig beïnvloed heeft. Zij heeft aldus ook belang bij het aanvechten van de thans bestreden beslissing.