Samenvatting
Samen met de verzoekster stelt de Raad vast dat de verweerder besluit tot de afwezigheid van enig gezins- of familieleven met de heer J.V. omwille van de enkele vaststelling dat de heer J.V. op 25 juli 2017 eenzijdig afstand heeft gedaan van de huwelijksverklaring die hij met de verzoekster had afgelegd op 7 juni 2017. De verweerder erkent dat de verzoekster en de heer J.V. op de datum van de bestreden beslissing, dit is 2 augustus 2017, nog steeds samenwonen op hetzelfde adres, doch hij geeft aan dat het loutere samenwonen niet volstaat om een gezinssituatie in de zin van artikel 8 van het EVRM te scheppen.
Deze redenering getuigt inderdaad niet van een zorgvuldige feitenvinding in het licht van artikel 74/11 van de vreemdelingenwet en artikel 8 van het EVRM.
Er dient immers te worden opgemerkt dat het begrip ’gezins- of familieleven’ een autonoom begrip betreft dat onafhankelijk van het nationale recht dient te worden geïnterpreteerd. De beoordeling of er al dan niet sprake is van een familie- of gezinsleven, is in wezen een feitenkwestie die afhankelijk is van de aanwezigheid van effectief beleefde nauwe persoonlijke banden.
Wat het bestaan van een familie- en gezinsleven betreft, moet vooreerst worden nagegaan of er sprake is van een familie of een gezin. Vervolgens moet blijken dat in de feiten de persoonlijke band tussen deze familie- of gezinsleden voldoende hecht is (cf. EHRM 12 juli 2001, K. en T./Finland (GK), § 150; EHRM 2 november 2010, Şerife Yiğit v.Turkije (GK), § 93).
De Raad benadrukt dat, wat koppels betreft, het begrip ‘gezin’ niet mag worden beperkt tot gehuwde koppels, maar dat dit dient te worden uitgebreid tot andere de facto gezinsrelaties buiten het huwelijk (EHRM 18 december 1986, Johnston & others v. Ierland, § 56; EHRM 3 april 2012, Van der Heijden v Nederland, § 50). Er moet sprake zijn van een stabiele de facto partnerrelatie, ongeacht het geslacht van de partners (EHRM 23 februari 2016, Pajic/Kroatië, § 64). Om te bepalen of een partnerrelatie een voldoende standvastigheid heeft om te worden gekwalificeerd als ‘gezinsleven’ in de zin van artikel 8 van het EVRM, kan rekening worden gehouden met een aantal relevante factoren, waaronder het al dan niet samenwonen, de aard en duur van de relatie en het al dan niet uiten van toewijding ten aanzien van elkaar, bijvoorbeeld door samen kinderen te hebben (EHRM 20 juni 2002, Al-Nashif/Bulgarije, § 112; EHRM 8 januari 2009, nr. 10606/07, Joseph Grant v. Verenigd Koninkrijk, par. 30).
Een huwelijk of een vaststaande huwelijksintentie is op zich dan ook geen noodzakelijke voorwaarde opdat de banden die twee personen als koppel hebben uitgebouwd, daadwerkelijk vallen onder de door artikel 8 van het EVRM geboden bescherming. Omgekeerd kan ook het loutere feit dat één van de twee partners terugkomt op de intentie om te huwen, niet volstaan om te besluiten dat er geen of niet langer sprake is van een gezinssituatie in de zin van artikel 8 van het EVRM. Het enkele feit dat één van de twee partners niet langer wenst door te gaan met de huwelijksvoltrekking, betekent immers niet ipso facto dat deze partner ook de partnerrelatie zelf wenst te beëindigen of heeft beëindigd.
In casu stelt de Raad vast dat in de bestreden beslissing enkel wordt gesteld dat de verzoekster en de Belg J.V. op 7 juni 2017 te Evergem een huwelijksverklaring aflegden en dat de heer J.V. op 25 juli 2017 bij diezelfde gemeente verklaarde eenzijdig afstand te doen van dit huwelijk. Uit de bewoordingen van de bestreden akte en uit het woordgebruik “zodat”, blijkt dat de verweerder uit het enkele gegeven van de eenzijdige afstand van de huwelijksverklaring reeds afleidt dat “van een familiale relatie niet langer sprake is”. Uit de stukken van het administratief dossier en uit de nota met opmerkingen, waarin de verklaring van de heer J.V. van 25 juli 2017 wordt geciteerd, blijkt echter geenszins dat de heer J.V. op enig ogenblik voorafgaand aan het treffen van de bestreden beslissing heeft te kennen gegeven dat er ook geen partnerrelatie meer zou bestaan tussen hem en de verzoekster.
Uit de verklaring “Ik, ondergetekende, dhr. V. J. P., verklaard (sic) hierbij dat ik de procedure voor een huwelijk met mevr. S. S. wens te beëindigen. De gereserveerde huwelijksdatum mag geannuleerd worden.” kan enkel worden afgeleid dat de heer J.V. de procedure voor het huwelijk op een welbepaalde datum wenst stop te zetten, terwijl hij geen enkele verklaring aflegt in deze of gene zin omtrent het verderzetten van de partnerrelatie met de verzoekster. Zoals in de bestreden akte wordt erkend, wonen de verzoekster en de heer J.V. op 2 augustus 2017 nog steeds samen. Hieromtrent wordt echter zonder enige weergave van de concrete feitelijke context van de relatie en van de duur van de samenwoonst, gesteld dat het louter samenwonen met een Belg nog geen gezinssituatie in de zin van artikel 8 van het EVRM schept. Hierbij heeft de verweerder echter geen rekening gehouden met het onbetwiste feit dat de verzoekster, zoals zij pertinent opmerkt en zoals ook blijkt uit de stukken van het administratief dossier, reeds sinds september 2015 onafgebroken samenwoont met de heer J.V. Het administratief dossier bevat tevens een op 25 juli 2017 gedateerd proces-verbaal van verhoor van de heer J.V. Hieruit blijkt enkel dat de heer J.V. twijfelt aan de oprechtheid van de verzoekster inzake het aanstaande huwelijk, doch ook uit dit verslag blijkt geenszins dat de partnerrelatie tussen beiden zou zijn stop gezet.
Het blijkt dan ook dat de verweerder op al te voortvarende wijze heeft besloten dat er wegens de enkele eenzijdige afstand van de huwelijksverklaring niet langer sprake is van een familiale relatie tussen de verzoekster en de Belg J.V. […]
Waar bij het opleggen van het bestreden inreisverbod en bij het bepalen van de duur ervan geen blijk wordt gegeven van een nauwkeurig en zorgvuldig onderzoek naar of afweging van de specifieke omstandigheden aangaande enig de facto gezinsleven in hoofde van verzoekster en de heer J.V., dient een schending van artikel 74/11 van de vreemdelingenwet, van de materiële motiveringsplicht en van het zorgvuldigheidsbeginsel te worden vastgesteld.