Samenvatting
Kernvraag is aldus te weten of de arbeidsovereenkomst, gesloten in dit kader, dient aanzien te worden als zijnde een belasting van het sociale zekerheidsstelsel of niet.
Uit de hierboven geciteerde bepalingen kan echter niet worden afgeleid dat een afgesloten arbeidsovereenkomst met een OCMW in het kader van artikel 60 van de OCMW-wet, bestaansmiddelen vormen die een onredelijke belasting zijn voor het sociale bijstandsstelsel. Artikel 42bis van de vreemdelingenwet stelt enkel dat de bestaansmiddelen voldoende moeten zijn en geen onredelijke belasting mogen vormen voor het sociale bijstandsstelsel, zodat niet is uitgesloten dat bestaansmiddelen die afkomstig zijn uit een tijdelijke tewerkstelling wel degelijk in aanmerking komen.
Uit de eerste bestreden beslissing blijkt dat de gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris als enig determinerend motief het recht op verblijf niet wenst te behouden omdat de voorgelegde inkomsten zijn uitgekeerd in toepassing van artikel 60 van de OCMW-wet. De gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris concludeert dat overeenkomstig het voornoemd wetsartikel (met name artikel 40 van de vreemdelingenwet) een inkomen dat via het sociale bijstandsstelsel wordt verworven niet in aanmerking kan worden genomen als bewijs van voldoende bestaansmiddelen.
De Raad wijst er op dat uit artikel 40 van de vreemdelingenwet volgt dat de Belgische referentiepersoon moet beschikken over voldoende bestaansmiddelen die minstens gelijk moeten zijn aan het inkomstenniveau onder hetwelk sociale bijstand kan worden verleend, waarbij rekening wordt gehouden met de aard en de regelmatigheid van de voorgelegde bestaansmiddelen. Er dient echter op gewezen te worden dat uit artikel 40 van de vreemdelingenwet niet kan worden afgeleid met welk soort en/of aard van arbeidsovereenkomst een vreemdeling dergelijke bestaansmiddelen moet aantonen. De Raad herhaalt dat hij niet bevoegd is om zijn motieven in de plaats te stellen van de gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris en dat hij dient na te gaan of de bestreden beslissing kennelijk redelijk is genomen, steun vindt in het administratief dossier en een correcte beoordeling inhoudt.
Voorts preciseert artikel 42bis van de vreemdelingenwet dat een einde kan gesteld worden ondermeer indien er een onredelijke belasting van het sociale bijstandsstelsel voorhanden is en er wordt rekening gehouden met het al dan niet tijdelijke karakter van zijn moeilijkheden, de duur van zijn verblijf in het Rijk, zijn persoonlijke situatie en het bedrag van de aan hem uitgekeerde steun. In casu evenwel wordt het verblijf beëindigd enkel op de grond dat de inkomsten, die verworven zijn, voortvloeien uit een arbeidsovereenkomst in het kader van artikel 60 van de OCMW-wet.
De Raad dient er op te wijzen dat de doelstelling van een tewerkstelling op grond van artikel 60, § 7, van de OCMW-wet is om de betrokkene terug in te schakelen in het arbeidsproces, of in het stelsel van de sociale zekerheid. In de eerste hypothese zal de verzoekende partij dus elders werk vinden en aldus niet ten laste komen van de sociale bijstand, in de tweede hypothese zal er een voldoende periode van tewerkstelling aanwezig zijn om het recht te openen op een werkloosheidsuitkering zodat weerom geen beroep moet worden gedaan op sociale bijstand. Artikel 40 van de vreemdelingenwet sluit overigens werkloosheidsuitkeringen niet uit en bij het indienen van een aanvraag om recht tot verblijf op grond van artikel 40ter van de vreemdelingenwet komen deze inkomens in aanmerking bij de beoordeling van de bestaansmiddelen op voorwaarde dat de betrokkene actief naar werk zoekt. In ieder geval doet de betrokkene tijdens een tewerkstelling op basis van artikel 60, § 7, van de OCMW-wet geen beroep op de sociale bijstand en is het uitdrukkelijk de bedoeling dat dit ook na deze tewerkstelling niet het geval is (H. VERSCHUEREN, “Het verblijfsrecht en de tewerkstelling in het kader van artikel 60, § 7 van de OCMW-wet, belicht vanuit het Unierecht”, T. Vreemd. 2015, 167). Gelet op deze doelstelling kan de verwerende partij zich er niet toe te beperken af te wijzen door louter te verwijzen naar het karakter van de tewerkstelling in toepassing van artikel 60 van de OCMW-wet als grond tot enig besluit van het ontbreken van bestaansmiddelen.
Artikel 60, § 7, eerste en tweede lid, van de OCMW-wet luidt immers als volgt:
"Wanneer een persoon het bewijs moet leveren van een periode van tewerkstelling om het volledige voordeel van bepaalde sociale uitkeringen te verkrijgen of teneinde de werkervaring van de betrokkene te bevorderen, neemt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn alle maatregelen om hem een betrekking te bezorgen, in voorkomend geval verschaft het deze vorm van dienstverlening zelf door voor de bedoelde periode als werkgever op te treden.
De periode van de tewerkstelling bedoeld in vorig lid, mag niet langer zijn dan de periode die voor de tewerkgestelde persoon nodig is om gerechtigd te worden op volledige sociale uitkeringen."
Uit deze doelstelling van tewerkstelling op grond van artikel 60 van de OCMW-wet kan niet worden afgeleid dat de inkomsten die de verzoekende partij ontvangt uit dergelijke tewerkstelling zouden moeten worden beschouwd als middelen die overeenkomstig artikel 40ter, tweede lid, 2°, van de vreemdelingenwet, of artikel 40 van de vreemdelingenwet, niet in aanmerking worden genomen bij de beoordeling van de bestaansmiddelen,. Er wordt nog op gewezen dat bij zelfs nieuwe gezinsaanvragen, uitgesloten worden inkomsten uit “financiële maatschappelijke dienstverlening” wat niet hetzelfde is als inkomsten uit maatschappelijke dienstverlening. In casu zijn de inkomsten verkregen uit arbeid niet enkel een financiële dienstverlening en verschillen deze van uitkeringen, zoals een leefloon.
In casu blijkt dat de echtgenoot van de verzoekende partij zich in het kader van artikel 60 van de OCMW-wet ertoe heeft verbonden tegen loon arbeid te verrichten voor een werkgever, namelijk het OCMW van Mechelen, en dit werk onder zijn gezag uit te voeren, zodat er wel degelijk sprake is van tewerkstelling met een arbeidsovereenkomst.
Waar de gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris en de verwerende partij in haar nota met opmerkingen stelt dat de referentiepersoon dat men niet over toereikende bestaansmiddelen mag beschikken of er aanspraak op kan maken om dergelijke tewerkstelling te verkrijgen, wijst de Raad er op dat een tewerkstelling op grond van artikel 60 van de OCMW-wet niet kan beschouwd worden als een financiële maatschappelijke dienstverlening, nu dit laatste gaat om een financiële aanvulling van sociale zekerheidsprestaties of een financiële aanvulling van het bestaansminimum (W. VAN EECKHOUTTE, Socialezekerheidsrecht, Antwerpen, Kluwer, 1998, 329.), wat niet het geval is. De gemachtigde van de bevoegde staatssecretaris gaat met zijn stelling voorbij aan het feit dat het leefloon juist wordt toegekend aan mensen die niet werken of aan mensen wiens loon uit arbeid lager ligt dan het bestaansminimum en waarbij dit loon dan wordt aangevuld met leefloon tot het bereiken van het bestaansminimum, terwijl in het kader van een tewerkstelling op grond van artikel 60 van de OCMW-wet wel degelijk sprake is van een loon, voortvloeiend uit het verrichten van arbeid, dat steunt op een arbeidsovereenkomst die moet voldoen aan de vereisten, zoals bepaald in de arbeidsovereenkomstenwet en dit loon niet lager ligt dan het minimumloon. In deze omstandigheden kan niet aangenomen worden dat de uitgave in het kader van deze tewerkstelling, in casu door het OCMW van Mechelen, zonder meer te classificeren zijn als een onredelijke belasting voor het Rijk nu er prestaties worden geleverd in het kader van een arbeidsovereenkomst voor het OCMW. De verwerende partij kan niet ernstig voorhouden dat betalingen voor geleverde prestaties, ook al worden deze uitgekeerd door een OCMW, gelijk te schakelen zijn met bijvoorbeeld het uitkeren van een leefloon, wat een louter passief is. De verwijzing naar andersluidende rechtspraak van de Raad is niet dienstig nu deze achterhaald is en bovendien arresten van de Raad geen precedentswaarde kennen.
Gelet op het bovenstaande voert de verzoekende partij dan ook terecht aan dat een tewerkstelling via artikel 60 van de OCMW-wet niet zomaar kan uitgesloten worden als zijnde niet in aanmerking te nemen inkomsten waarvan sprake in artikel 40 en ter beoordeling van artikel 42bis van de vreemdelingenwet en het onjuist is om per definitie en automatisch de aanvraag tot verblijfsmachtiging af te wijzen enkel omdat haar echtgenoot werkt in het kader van artikel 60 van de OCMW-wet. Terecht voert zij aan dat evenmin is aangetoond dat er een onredelijke belasting voor het Rijk is aangetoond (eigen onderlijning). Zodoende maakt de verzoekende partij een schending van de artikelen 40 en 42bis van de vreemdelingenwet aannemelijk.