Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 224.967 - 14-08-2019

Samenvatting

De Raad stelt vast dat in casu uit de gegevens van het administratief dossier duidelijk naar voor komt dat de gemachtigde, op het ogenblik van het treffen van de bestreden beslissing, op de hoogte was van het feit dat de verzoeker samenwoonde met zijn partner, J. D., sedert november 2017. De gemachtigde was tevens op de hoogte van de lopende procedure met betrekking tot R. D., geboren op 12 november 2018, alsook van het feit dat J. D. met haar Belgische ex-partner, R. H., nog een zoon Ri. H. heeft, geboren op 25 oktober 2007 (zie formulier “vraag om informatie” van de stad Antwerpen, overgemaakt aan de Dienst Vreemdelingenzaken op 12 december 2018, en mailbericht van 24 januari 2019 van S. D. C., bureau opsporingen).
 
In het licht van hetgeen hierboven werd gesteld, merkt de Raad op dat een aangevoerde grief op grond van artikel 8 van het EVRM in het kader van de thans bestreden verwijderingsmaatregel kan worden aangenomen wanneer blijkt dat de gemachtigde ofwel 1) niet alle relevante feiten en omstandigheden kenbaar in zijn beoordeling en afweging heeft betrokken, ofwel, indien dit wel het geval is, 2) zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een "fair balance" tussen enerzijds het belang van een vreemdeling bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Belgische samenleving bij het voeren van een migratiebeleid en/of het handhaven van de openbare orde. Deze laatste beoordeling moet door de Raad, die optreedt als annulatierechter, terughoudend worden getoetst.
 
De Raad stelt in casu evenwel vast dat noch uit de motieven van de bestreden beslissing, noch uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de gemachtigde enige aandacht heeft besteed aan of enige concrete afweging heeft gemaakt omtrent de particuliere gezinssituatie van de verzoeker en diens partner die nog een oudere Belgische zoon heeft. De gemachtigde verwijst wel naar verzoekers gezinsleven met zijn partner en hun dochter, maar vervolgens wordt slechts in zeer vage en algemene termen een afweging gemaakt met betrekking tot de proportionaliteit van de verwijdering van de verzoeker: “Wat de vermeende schending van art. 8 EVRM betreft kan worden gesteld dat de terugkeer naar het land van herkomst om aldaar een machtiging aan te vragen niet in disproportionaliteit staat ten aanzien van het recht op een gezins-of privéleven. In zijn arrest (nr. 27.844) dd. 27.05.2009 stelt de Raad voor Vreemdelingbetwistingen het volgende: "De Raad wijst er verder op dat artikel 8 van het EVRM niet als een vrijgeleide kan beschouwd worden dat verzoekster zou toelaten de bepalingen van de vreemdelingenwet naast zich neer te leggen." Overeenkomstig de vaste rechtspraak van de Raad van State dient bovendien te worden benadrukt dat een tijdelijke scheiding om zich in regel te stellen met de immigratiewetgeving niet kan beschouwd worden als een schending van artikel 8 van het EVRM (RvS 22 februari 1993, nr. 42.039; RvS 20 juli 1994, nr. 48.653; RvS 13 december 2005, nr. 152.639).”
 
De enkele stelling dat verzoekers verwijdering “niet in disproportionaliteit staat ten aanzien van het recht op een gezins-of privéleven” getuigt geenszins van een concrete belangenafweging, terwijl ook uit de loutere citering uit een arrest van de Raad uiteraard geen afweging kan blijken die het specifieke geval van de verzoeker en diens gezin betreft. Zoals de verzoeker terecht aanvoert, blijkt uit de motieven betreffende de voorgehouden “tijdelijke scheiding” niet dat de gemachtigde rekening heeft gehouden met het feit dat aan de verzoeker een inreisverbod van drie jaar werd opgelegd. Dit inreisverbod brengt, volgens de rechtspraak van het Hof van Justitie, rechtsgevolgen teweeg vanaf de datum dat de verzoeker het Schengengrondgebied daadwerkelijk heeft verlaten (HvJ, 26 juli 2017, Ouhrami, C-225/16, punten 42 tot en met 53). De verzoeker merkt ook terecht op dat zijn partner nog een zoon, Ri. H. heeft, die het recht heeft op persoonlijk contact met zijn vader, hetgeen het verderzetten van het gezinsleven in Marokko bemoeilijkt. Deze omstandigheid dient in rekening te worden gebracht samen met de omstandigheid dat de verzoeker het voorwerp uitmaakt van een inreisverbod van drie jaar dat, zoals de verweerder in de zijn verweernota terecht opmerkt, definitief is. Waar de verweerder laat uitschijnen dat de verzoeker dit inreisverbod zelf zou viseren, dient te worden vastgesteld dat de verzoeker de wettigheid van het inreisverbod niet betwist maar dat hij in wezen aanvoert dat de gemachtigde bij het treffen van de thans bestreden verwijderingsbeslissing ten onrechte heeft gesteld dat het om een tijdelijke scheiding zou gaan aangezien er een inreisverbod werd opgelegd van drie jaar. Ongeacht de mogelijkheid om de opheffing of opschorting te vragen en eventueel te verkrijgen, dient te worden benadrukt dat bij de verwijdering van de verzoeker wel degelijk ook een minderjarig kind is betrokken. In die omstandigheden moet wel degelijk rekening worden gehouden met de gevolgen van het inreisverbod voor het recht van het minderjarige kind om samen te leven met de ouders (EHRM 16 april 2013, Udeh v. Zwitserland, par. 53). Het aan de verzoeker opgelegde inreisverbod is in casu dan ook wel degelijk een element dat relevant is bij de belangenafweging in het licht van artikel 8 van het EVRM.
 
Gelet op hetgeen voorafgaat, kan de verzoeker dan ook worden gevolgd waar hij aangeeft dat de gemachtigde nagelaten heeft om een correcte afweging te maken tussen de belangen van de Belgische staat en de hoger besproken particulariteiten inzake verzoekers gezinsleven. Het blijkt aldus niet dat de gemachtigde een volledige beoordeling heeft doorgevoerd van alle relevante elementen en omstandigheden die het gezinsleven van de verzoeker kenmerken.
 
In de mate dat artikel 8 van het EVRM een concrete beoordeling en billijke afweging vereist van alle relevante feiten en omstandigheden, is deze bepaling geschonden (EHRM 11 juli 2000, Ciliz/Nederland, § 66; EHRM 10 juli 2014, Mugenzi/Frankrijk, § 46; EHRM 10 juli 2014, Tanda-Muzinga/Frankrijk, § 68).