Samenvatting
Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dus dat er sprake is van een gemotiveerde beslissing van 18 september 2018 tot verlenging van de termijn.
Op 18 september 2018 wordt deze beslissing overgemaakt aan de ambassade. Op 31 oktober 2018 wordt verzoekster geïnterviewd door de diensten van de ambassade. Op 8 november 2018 wordt aan de ambassade gevraagd om verzoekster mee te delen dat er een beslissing tot uitstel getroffen is wegens administratief onderzoek / parket en dat de termijn van negen maanden overeenkomstig artikel 12bis, § 2, derde lid van de vreemdelingenwet verlengd wordt met een termijn van drie maanden.
Uit een mail van de Belgische ambassade in Ethiopië gericht tot de Dienst Vreemdelingenzaken op 18 april 2019 blijkt dat verzoekster drie maal in persoon is langs geweest en dat haar toen beslissingen werden meegedeeld. In deze mail wordt, naast de tekst, immers ook een “nota” weergegeven die de vorm heeft van een “print screen” uit het visumdossier van verzoekster. Daarin wordt het volgende vermeld: “Username (…) Date: 3/12/2018 10:46:07 The applicant is informed today about the information of 08/11/2018.” “Username (…) Date: 4/03/2019 10:55:23 The applicant is informed today about the information taken on 08/11/2018” “Username (…) Date: 5/03/2019 9:29:46 The applicant is informed today about the information taken on 04/03/2019” (Gebruikersnaam (…) Datum: 3/12/2018 10:46:07 De aanvrager is vandaag ingelicht over de informatie van 8 november 2018. Gebruikersnaam (…) Datum 4/03/2019 10:55:23 De aanvrager is vandaag ingelicht over de informatie waartoe beslist werd op 8 november 2018. Gebruikersnaam (…) Datum 5/03/2019 9:29:46 De aanvrager is vandaag ingelicht over de informatie waartoe beslist werd op 4 maart 2019, eigen vertaling).
Hieruit blijkt dat verzoekster op 3 december 2018 op de hoogte werd gebracht van de beslissing tot uitstel van 8 november 2018 (betreft de beslissing tot uitstel genomen op 18 september 2018), op 4 maart 2019 werd ze opnieuw op de hoogte gebracht van dezelfde beslissing en op 5 maart 2019 werd haar meegedeeld dat er een beslissing was op 4 maart 2019, dit betreft de tweede beslissing tot uitstel. Verzoekster werd dus voor het verstrijken van de oorspronkelijke termijn van negen maanden op de hoogte gebracht dat er een beslissing tot uitstel werd genomen. Intussen werd zij op 31 oktober 2018 ook gehoord door de ambassade over haar huwelijk, zodat zij wist dat een onderzoek werd gevoerd naar dit huwelijk en van dit feit op de hoogte was.
Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dus dat aan verzoekster in persoon werd meegedeeld dat er een beslissing tot verlenging van de termijn was. Dit is een verschil met de situatie in het arrest van de Raad van State nr. 240 997 van 13 maart 2018 dat verzoekster aanhaalt.
Verzoekster voert aan dat de verwerende partij niet ontkent dat de verlengingsbeslissing nooit betekend werd, dat zij zelf niet mondeling op de hoogte werd gebracht en dat de nota’s van de verwerende partij waaruit dit zou moeten blijken zelf gecreëerde bewijsstukken betreffen.
Zoals hiervoor besproken, blijkt uit de mail van 18 april 2019 van de Belgische ambassade gericht aan de Dienst Vreemdelingenzaken, die zich in het administratief dossier bevindt, met name een “nota” die de vorm heeft van een “print screen”, dat de eerste beslissing tot verlenging van de termijn op 3 december 2018 aan verzoekster werd meegedeeld. In de nota van de verwerende partij valt niet te lezen dat de verwerende partij niet zou ontkennen “dat de verlengingsbeslissing nooit aan de verzoekende partij betekend” werd. Verzoeksters bewering dat de “nota’s” van de verwerende partij geen enkele waarde hebben, geen rechtsgeldige betekening kunnen vervangen en zelf gecreëerde bewijsstukken zijn, kan niet worden gevolgd. Deze “nota” betreft een kopie uit het officieel visumdossier van verzoekster, zoals dit zich op de ambassade in Ethiopië bevindt. Het vermeldt de naam en voornaam van verzoekster, haar nationaliteit en geslacht, haar geboortedatum, haar paspoortnummer, haar “Visa / OS-nummer” en “Type/Statuut”. Een personeelslid van de ambassade moet zijn gebruikersnaam, “username” ingeven vooraleer de informatie verkregen kan worden en de data van de verschillende procedurestappen worden weergegeven (data waarop verzoekster informatie van een bepaalde datum werd meegedeeld). Dit betreft dus geen gefabriceerd bewijs.
Dat deze mondelinge kennisgeving op 3 december 2018 heeft plaatsgevonden, blijkt dus uit de stukken van het administratief dossier, daarin is immers een officieel spoor van deze mededeling terug te vinden. Uit artikel 12bis, § 2, vijfde lid van de vreemdelingenwet kan niet worden afgeleid dat de kennisgeving op straffe van nietigheid schriftelijk moet gebeuren. Dit blijkt evenmin uit de parlementaire voorbereidingen bij de wet van 15 september 2006 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, waarvan artikel 11 het nieuwe artikel 12bis in de huidige vreemdelingenwet invoert (Parl. St. Kamer, 2005 – 2006, Doc 51/2478001, Memorie van Toelichting, p. 55 en p. 67). Dit nieuwe artikel 12bis, § 2, vijfde lid van de vreemdelingenwet vormt de omzetting van artikel 5.4, tweede lid van de richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 inzake het recht op gezinshereniging. In de richtlijn is enkel sprake van een beslissing tot verlenging van de termijn en wordt een kennisgeving daarvan niet vermeld.
Alleszins is de kennisgeving van de beslissing tot verlenging van de termijn voor het beslissen over een visumaanvraag, geen vormvereiste die een beroepstermijn doet ingaan. Indien er problemen zouden rijzen over de kennisgeving van de beslissing tot verlenging, kan verzoekster haar grieven in dit verband uiten in het kader van het beroep tegen de beslissing tot weigering van visum, quod in casu.
Als verzoekster op 3 december 2018 de informatie werd meegedeeld van 8 november 2018, kan worden verondersteld dat haar ook werd meegedeeld waarover deze informatie handelde, namelijk dat de termijn voor het nemen van een beslissing over haar visum verlengd werd. Ten overvloede wordt herhaald dat verzoekster, door haar interview op 31 oktober 2018 inzake haar huwelijk, ervan op de hoogte was dat dit huwelijk onderzocht werd.
Verzoekster bevindt zich dus niet in een situatie waarin haar binnen de termijn van negen maanden geen beslissing werd meegedeeld zoals voorzien in artikel 12bis, § 2, zesde lid van de vreemdelingenwet. Een schending van de materiële motiveringsplicht in dit verband wordt niet aangetoond, evenmin als een schending van artikel 12bis, § 2 van de vreemdelingenwet.