Samenvatting
De Raad moet echter vaststellen dat verzoekster evenwel reeds een groot aantal overtuigende stukken heeft voorgelegd en volgt verzoekster dat niet blijkt dat de gemachtigde de Whatsapp-berichten op zorgvuldige wijze heeft onderzocht, noch het geheel van de feiten op redelijke wijze heeft beoordeeld om tot de conclusie te komen dat nog meer overtuigende stukken zouden moeten voorgelegd worden.
De gemachtigde is ertoe gehouden conform artikel 47/3 van de Vreemdelingenwet bij de beoordeling van het duurzame karakter van de relatie rekening te houden met de intensiteit, de duur en de stabiele aard van de relatie.
De gemachtigde lijkt de duur en de stabiele aard van de relatie niet te betwisten, nu hij motiveert dat verzoekster en de referentiepersoon elkaar sedert eind 2016 kennen en verzoekster reeds sedert eind 2016 ook op het adres verblijft waar ook de referentiepersoon verblijft. De Raad volgt de gemachtigde evenwel waar hij stelt dat het louter hebben van een gemeenschappelijke verblijfplaats op zich niet aanvaard kan worden als een afdoende bewijs van het bestaan van een duurzame partnerrelatie of gezinsleven. Het is evenwel een element dat wel van belang is wat betreft de duur en het stabiel karakter van de relatie. Teneinde de duur en het stabiel karakter van de relatie aan te tonen heeft verzoekster eveneens vele foto’s voorgelegd, waarvan 9 gedateerde foto’s die een periode beslaan van 16 december 2016 tot 10 augustus 2018. De Raad stelt vast dat de gemachtigde erkent dat deze foto’s “een bepaalde periode” beslaan, maar niet overtuigd is dat op grond van die foto’s blijkt dat verzoekster en de referentiepersoon een werkelijke affectieve duurzame partnerrelatie onderhouden. De Raad merkt op dat die foto’s blijkbaar wel een periode van bijna twee jaar beslaan en wijst erop dat, ook al kan op grond van foto’s alleen niet steeds de aard van een relatie met zekerheid afgeleid worden, deze foto’s in het geheel moeten beoordeeld worden, samen met de voorgelegde geldoverschrijvingen, de gemeenschappelijke factuur in een hotel, het langdurig onder een dak wonen en de vele Whatsapp-gesprekken. De Raad wijst er immers op dat er in het licht van het recht op respect voor het privéleven van een persoon grenzen zijn aan het type van foto’s dat kan verwacht worden van een verzoekende partij, die een werkelijke affectieve duurzame partnerrelatie moet aantonen (cf. mutatis mutandis HvJ 2 december 2014, A, B en C, C-148/13, C-149/13 en C-150/13, punt 64 m.b.t. de beoordeling van de geloofwaardigheid van de seksuele gerichtheid).
Wat betreft de voorgelegde Whatsapp-gesprekken moet de Raad met verzoekster vaststellen dat niet blijkt dat de gemachtigde deze uitermate talrijke berichten op dagdagelijkse basis die een periode beslaan van november 2017 tot januari 2019 heeft onderzocht of gelezen. Ook al worden deze Whatsapp-gesprekken wel opgesomd onder “volgende bewijsstukken werden voorgelegd ter staving van de aangehaalde duurzame relatie”, kan de Raad niet aannemen dat de gemachtigde deze aandachtig heeft gelezen en toch van oordeel is dat er thans geen sprake is van een relatie die verder gaat dan een loutere vriendschapsrelatie. De door verzoekster in het geel gemarkeerde passages, die ook allemaal terug te vinden zijn in de Whatsapp-berichten die zich in het administratief dossier bevinden, geven enerzijds blijk van betrokkenheid bij elkaars familiale gebeurtenissen, maar anderzijds eveneens van een verregaande intensiteit, zowel op vlak van kwantiteit als inhoudelijk. Het komt de Raad niet toe in zijn (publiek) arrest zelf bepaalde passages te citeren teneinde dit te onderbouwen en daarmee zelf het onderricht van het voormelde arrest van het Hof van Justitie te schenden.
De gemachtigde heeft evenwel terecht gemotiveerd dat de referentiepersoon nog tot 13 juni 2018 wettelijk samenwonend was met een derde. Verzoekster stelt evenwel dat de samenwoning tussen de referentiepersoon en de heer W.D.J. de facto reeds veel eerder eindigde. De Raad is niet in de mogelijkheid het tijdstip na te gaan waarop er de facto geen sprake meer was van een relatie tussen de referentiepersoon en de heer W.D.J., doch dit gegeven diende op afdoende wijze afgewogen te worden tegenover het geheel van alle overige elementen zoals de foto’s, waarvan verschillende gedateerd, de geldoverschrijvingen, de hotelfactuur op naam van de referentiepersoon en verzoekster en de Whatsapp-gesprekken, die zoals gezegd een lange duur beslaan en waarvan velen van een verregaande intensiteit zijn. De Raad is van oordeel dat dit in casu niet op zorgvuldige wijze is gebeurd.
Bijgevolg stelt de Raad vast dat de gemachtigde zijn beslissing niet op een zorgvuldige wijze heeft voorbereid (RvS 2 februari 2007, nr. 167.411, RvS 14 februari 2006, nr. 154.954). Er blijkt niet dat de gemachtigde bij het nemen van de beslissing rekening gehouden heeft met alle gegevens van het dossier en alle daarin vervatte dienstige stukken, verdergaand dan het louter opsommen ervan.
Indien er zou van uitgegaan moeten worden dat de gemachtigde de enorme hoeveelheid aan Whatsapp-gesprekken toch inhoudelijk heeft onderzocht, kan de Raad niet aannemen dat de gemachtigde naar aanleiding van deze gesprekken en eveneens op grond van de foto’s, de geldoverschrijvingen, de hotelfactuur en het langdurig onder een dak wonen in redelijkheid tot zijn besluit is gekomen dat de contacten tussen verzoekster en de referentiepersoon niet verder zouden gaan dan een louter vriendschapsrelatie of dat er geen intentie is een duurzame levensgemeenschap op te bouwen. In die zin is de bestreden beslissing kennelijk onredelijk.