Samenvatting
Verzoeker geeft, zoals verweerder terecht aanstipt, een feitelijke uiteenzetting, doch deze is weldegelijk relevant in het kader van de door hem opgeworpen schending van artikel 3, 2, eerste lid van de Dublin III-verordening. Hij wijst erop dat het eerste beschermingsverzoek dat verzoeker heeft ingediend, gebeurde in België bij de Dienst Vreemdelingenzaken op 17 januari 2017. Hij stipt eveneens aan dat België zich bevoegd heeft geacht om dat beschermingsverzoek te behandelen en het is niet betwist dat het CGVS een beslissing heeft genomen tot het weigeren van de vluchtelingenstatus evenals van de subsidiaire beschermingsstatus. De gemachtigde stelt dat verzoeker op 13 april 2017 eveneens een verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend in Duitsland. Verzoeker vervolgt dat niet kan worden betwist dat hij zijn beschermingsverzoek het eerst in België heeft ingediend, zodanig dat België overeenkomstig artikel 3, tweede alinea, eerste lid van de Dublin III-verordening verantwoordelijk is en blijft voor de behandeling van het verzoek om internationale bescherming, inbegrepen het derde verzoek van 10 oktober 2018.
Verweerder stelt in de nota dat artikel 3.2 van de Dublin III-verordening enkel de bevoegdheid bepaalt voor zover er “op basis van de in deze verordening vastgestelde criteria geen verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen” in welk geval de lidstaat waar het verzoek om internationale bescherming het eerst werd ingediend, verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. In casu meent verweerder dat de verantwoordelijke lidstaat, Duitsland, op afdoende wijze is aangeduid op grond van artikel 18, 1, d van de Dublin III-verordening, die uitdrukkelijk heeft ingestemd met de “overname” van verzoeker. Verzoeker kan volgens verweerder niet dienstig verwijzen naar het bepaalde in artikel 3, 2 van de Dublin III-verordening. Verweerder wijst er nog op dat uit artikel 18, 1, d van de Dublin III-verordening blijkt dat het door verzoeker ingediende beschermingsverzoek door de Duitse autoriteiten het voorwerp uitmaakte van een afwijzing en verzoeker in Duitsland een nieuw beschermingsverzoek zal kunnen indienen. Verder wijst verweerder op het interstatelijk vertrouwensbeginsel hetgeen inhoudt dat er prima facie mag van uitgegaan worden dat de lidstaten de Europese regelgeving in het kader van de behandeling van beschermingsverzoeken zal respecteren. Het Hof van Justitie heeft evenwel geoordeeld dat een lidstaat grote moeilijkheden kan ondervinden en het in bepaalde gevallen dan niet is uitgesloten dat een schending van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest zich voordoet als er voor ernstige tekortkomingen in de asielprocedure of in de opvangvoorzieningen moet worden gevreesd. Dit is in casu wat Duitsland betreft niet aan de orde.
(…)
Uit het voorgaande blijkt dat artikel 51/5 van de Vreemdelingenwet een louter procedurele verwijzing bevat naar de Europese regelgeving die België bindt, in casu de Dublin III-verordening. Dit artikel kan op zich niet de verantwoordelijkheid van Duitsland onderbouwen.
De vraag is bijgevolg of de bijkomende verwijzing naar artikel 18, 1, d van de Dublin III-verordening in casu volstaat om de verantwoordelijkheid van Duitsland te kunnen vaststellen.
Het basisbeginsel is neergelegd in artikel 3 van de Dublin III-verordening dat in het eerste lid duidelijk bepaalt dat een beschermingsverzoek door een enkele lidstaat wordt behandeld, “namelijk de lidstaat die volgens de in hoofdstuk III genoemde criteria verantwoordelijk is.” Dit hoofdstuk, getiteld “criteria voor het aanwijzen van de verantwoordelijke lidstaat” heeft betrekking op de artikelen 7 tot en met 15 van de verordening. Artikel 18 van de Dublin III-verordening heeft in se gezien de titel “verplichtingen van de verantwoordelijke lidstaat” eerder betrekking op de verplichting van de verantwoordelijke lidstaat, eens de verantwoordelijke lidstaat reeds is bepaald. Dit kan blijkens artikel 3, 1 van de verordening in de eerste plaats op grond van de criteria zoals voorzien in hoofdstuk III. Dit kan echter ook op basis van andere regels in de verordening die duidelijk bepalend zijn voor de verantwoordelijkheid van een lidstaat, zoals bijvoorbeeld de bindende termijnen die in de verordening zijn neergelegd. Dit is in casu evenwel niet het geval. Noch uit de motieven van de bestreden beslissing, noch uit het administratief dossier blijkt bijvoorbeeld dat verzoeker na het eerste beschermingsverzoek in België het grondgebied van de lidstaten zou hebben verlaten voor een periode van meer dan drie maanden, hetgeen aanleiding geeft tot het verval van de Belgische verantwoordelijkheid (artikel 19 Dublin III-verordening).
Artikel 3, 2, lid 1 van de Dublin III-verordening bepaalt heel duidelijk dat als op basis van de in de verordening vastgestelde criteria geen verantwoordelijke lidstaat kan worden aangewezen, het de lidstaat is waar het verzoek om internationale bescherming het eerst werd ingediend, die verantwoordelijk is voor de behandeling ervan. De Raad kan gezien de feitelijkheden eigen aan de zaak niet aannemen dat de enkele verwijzing naar artikel 18, 1, d van de Dublin III-verordening kan volstaan om de verantwoordelijkheid van Duitsland afdoende aan te wijzen. Zoals gezegd heeft deze bepaling in de eerste plaats betrekking op het aflijnen van de verplichting van de verantwoordelijke lidstaat, eerder dan dat dit artikel op zich – zonder samenhang met artikel 3, 2, lid 1 van de verordening – volstaat voor het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat zelf. In casu valt men dan, zoals verzoeker aangeeft, terug op de basispremisse dat de lidstaat verantwoordelijk is waar het verzoek om internationale bescherming het eerst werd ingediend.
In casu bevat het administratief dossier geen “eurodac search result” waarop de eurodac-treffers worden vermeld, maar de gemachtigde heeft zelf in de bestreden beslissing verduidelijkt dat de eurodac-treffers aantonen dat verzoeker op 17 januari 2017 internationale bescherming vroeg in België en op 13 april 217 in Duitsland. Vervolgens heeft verzoeker wederom een beschermingsverzoek ingediend in België op 10 oktober 2018. Dit wordt niet betwist. Er wordt geen melding gemaakt van een beschermingsverzoek in Duitsland dat zou dateren van voor het eerste verzoek in België. Verder kon, zoals supra toegelicht, in casu ook niet op een andere afdoende wijze de verantwoordelijkheid van Duitsland afdoende worden onderbouwd.
De Raad meent dan ook dat artikel 3, 2, eerste lid van de Dublin III-verordening in casu is geschonden.
Het feit dat er ondertussen ook een later beschermingsverzoek moet geweest zijn dat door Duitsland werd afgewezen, zoals verweerder aanstipt, betekent niet dat ook voor het nieuwe beschermingsverzoek van 10 oktober 2018 opnieuw moest bepaald worden welke lidstaat de verantwoordelijke lidstaat was volgens een correcte toepassing van de bepalingen in de Dublin III-verordening. Het loutere feit dat Duitsland met dit terugnameverzoek van België uitdrukkelijk heeft ingestemd, doet hieraan geen afbreuk. Vooreerst bevat het administratief dossier niet het volledige terugnameverzoek dat België aan Duitsland heeft gericht. De Raad kan bijgevolg niet nagaan welke informatie door de gemachtigde aan Duitsland werd verschaft. Zelfs indien moet aangenomen worden dat Duitsland met volledige kennis van zaken heeft ingestemd met de terugname van verzoeker, dan nog vormt dit op zich geen motief om de verantwoordelijke lidstaat te bepalen, zoals bevestigd in de arresten Ghezelbash (C-63-15) en Karim (C-155-15) van het Hof van Justitie, beiden van 7 juni 2016. In beide zaken lag een gelijkaardige vraag voor over de draagwijdte van het effectief rechtsmiddel dat wordt gegarandeerd door artikel 27 van de Dublin III-verordening gelezen in het licht van overweging 19 van de verordening. In beide zaken wierp de verzoekende partij een verkeerde toepassing van een criterium (artikel 12 in de zaak Ghezelbash) of een regel (artikel 19 in de zaak Karim) van de verordening op in een beroep tegen het overdrachtsbesluit voor de nationale rechter van de verzoekende lidstaat, terwijl Frankrijk reeds uitdrukkelijk had ingestemd met het overnameverzoek in de zaak Ghezelbash en Slovenië reeds uitdrukkelijk had ingestemd met het terugnameverzoek in de zaak Karim. In beide zaken heeft het Hof van Justitie geoordeeld dat de verzoekers de mogelijkheid moesten hebben zich er in het kader van een rechtsmiddel tegen een jegens hen genomen overdrachtsbesluit op te beroepen dat een verantwoordelijkheidscriterium of een regel van de verordening, verkeerd was toegepast.