Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 228.290 - 30-10-2019

Samenvatting

De Raad wijst erop dat de verzoekende partij op 29 januari 2019 een aanvraag indiende met het oog op het verkrijgen van een gecombineerde vergunning. Conform artikel 17, tweede lid van het Samenwerkingsakkoord van 2 februari 2018 tussen de Federale Staat, het Waals Gewest, het Vlaams Gewest, het Brussels-Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap met betrekking tot de coördinatie tussen het beleid inzake de toelatingen tot arbeid en het beleid inzake de verblijfsvergunningen en inzake de normen betreffende de tewerkstelling en het verblijf van buitenlandse arbeidskrachten (hierna: het Samenwerkingsakkoord) geldt de aanvraag voor een toelating tot arbeid als een aanvraag voor een machtiging tot verblijf. De aanvraag voor een toelating tot arbeid wordt conform artikel 7 van het Samenwerkingsakkoord behandelt door de bevoegde gewestelijke overheid, die zich conform artikel 19 van voormeld akkoord eerst uitspreekt over de volledigheid en ontvankelijkheid van het dossier. In casu verklaarde het Departement Werk & Sociale Economie de aanvraag op 19 februari 2019 ontvankelijk. Op 1 maart 2019 nam voormeld departement een gunstige beslissing en kende de arbeidsvergunning toe. Deze beslissing werd overgemaakt aan de verwerende partij die zich nog diende uit te spreken over de machtiging tot verblijf. In casu wordt in de bestreden beslissing geoordeeld dat, gelet op het feit dat de aanvraag werd ingediend op het Belgische grondgebied, gezien de verzoekende partij niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk overeenkomstig artikel 61/25-5, §1, 3° van de Vreemdelingenwet, de aanvraag voor een gecombineerde vergunning wordt geweigerd. Het feit dat het Departement Werk & Sociale Economie een gunstige beslissing nam inzake de arbeidsvergunning leidt er niet toe dat aan de voorwaarden voor een machtiging tot verblijf opgesomd in artikel 61/25-5, §1 van de Vreemdelingenwet is voldaan en evenmin tot de conclusie dat de verzoekende partij wettig op het grondgebied verbleef op het ogenblik van het indienen van haar aanvraag. Een gunstige beslissing inzake de aanvraag voor toelating tot arbeid betekent aldus ook niet ipso facto dat de verzoekende partij alsdan ook gemachtigd is om op het grondgebied te verblijven. De verzoekende partij erkent in haar synthesememorie dat “de procedure voor het bekomen van een gecombineerde vergunning tweeledig is en de (gemachtigde van de) Minister van Sociale Zaken, Volksgezondheid en Asiel en Migratie bevoegd is voor de beslissing inzake de aanvraag voor een machtiging tot verblijf en de (gemachtigde van de) Vlaamse Minister voor Werkgelegenheid bevoegd is voor de toelating tot arbeid.” De tweeledigheid van de procedure heeft ook tot gevolg dat wanneer de arbeidsvergunning wordt toegekend, doch niet voldaan werd aan de voorwaarden voor een machtiging tot verblijf, zoals in casu, de verwerende partij overgaat tot het weigeren van de aanvraag voor een gecombineerde vergunning.
 
De Raad stelt vast dat de verwerende partij de aanvraag tot machtiging tot verblijf weigert op grond van artikel 61/25-5, §1, 3° van de Vreemdelingenwet, waarbij vereist wordt dat de verzoekende partij op het ogenblik van het indienen van de aanvraag toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk. In de bestreden beslissing wordt gemotiveerd dat de verzoekende partij op het ogenblik van het indienen van de aanvraag niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk daar de verzoekende partij voorheen in het bezit was van een attest van immatriculatie en dit slechts een voorlopig verblijfsdocument is en daar op 11 april 2019 door de gemeente een beslissing tot weigering van haar aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie werd genomen.
 
Waar de verzoekende partij meent dat zij op het ogenblik van het indienen van de aanvraag wel wettig op het grondgebied verbleef, dat zij immers over een bijlage 19ter en een attest van immatriculatie geldig voor 6 maanden beschikte, kan zij niet gevolgd worden. De bijlage 19ter en het attest van immatriculatie die aan de verzoekende partij werden afgeleverd naar aanleiding van haar aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie kunnen niet beschouwd worden als een “toelating of machtiging tot een verblijf in het Rijk voor een periode die 90 dagen niet overschrijdt overeenkomstig titel I, hoofdstuk II of voor een periode van meer dan 90 dagen overeenkomstig titel I, hoofdstuk III” zoals vereist door artikel 61/25-5, §1, 3° van de Vreemdelingenwet. Een attest van immatriculatie is geen verblijfstitel. Het is een titel die wordt afgeleverd om een voorlopig en tijdelijk verblijf in België toe te laten en die wordt afgegeven in afwachting van een definitieve beslissing over het verblijf.
 
Gelet op het feit dat de verzoekende partij op het ogenblik van het indienen van de aanvraag tot een gecombineerde vergunning enkel in het bezit was van een attest van immatriculatie, zoals ook gemotiveerd in de bestreden beslissing en niet betwist door de verzoekende partij, kon de verwerende partij dan ook terecht oordelen dat dit slechts een voorlopig verblijfsdocument betreft en dat de verzoekende partij op het ogenblik van het indienen van de aanvraag niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk overeenkomstig artikel 61/25-5, §1, 3° van de Vreemdelingenwet.
 
(…)
 
Waar de verzoekende partij stelt dat de verwerende partij haar motivering baseerde op artikel 61/25-5, §1, 3° van de Vreemdelingenwet en ten onrechte oordeelde dat zij op het ogenblik van het indienen van de aanvraag niet wettig op het grondgebied verbleef, dat de verwerende partij als argumentatie aanhaalt dat zij in het bezit was van een attest van immatriculatie maar dat zij op 11 april 2019 door de gemeente een beslissing tot weigering van haar aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie werd afgeleverd, waarop zij besluit de aanvraag voor de gecombineerde vergunning te weigeren, dat dit een verkeerde lezing is van artikel 61/25-5, §1, 3° van de Vreemdelingenwet, dat in dit artikel duidelijk vermeld staat dat de betrokkene op het ogenblik van de indiening van de aanvraag wettig op het grondgebied moet verblijven, dat de weigeringsbeslissing van de gemeente dateert van 11 april 2019 en aldus geruime tijd na het indienen van de aanvraag voor de gecombineerde vergunning, dat zij aldus wettig op het Belgische grondgebied verbleef op het ogenblik van het indienen van de aanvraag, dat de bestreden beslissing foutief is gemotiveerd door deze te baseren op de weigeringsbeslissing van de gemeente die dateert van na de indiening van de aanvraag, gaat zij uit van een verkeerde lezing van de motieven van de bestreden beslissing. Immers wordt niet gemotiveerd dat zij in het bezit was van een attest van immatriculatie ‘maar’ dat zij op 11 april 2019 door de gemeente een beslissing tot weigering van haar aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie werd afgeleverd. In de motieven van de bestreden beslissing kan gelezen worden dat de vergunning geweigerd wordt op grond van artikel 61/25-5, §1, 3° van de Vreemdelingenwet daar de verzoekende partij op het ogenblik van het indienen van de aanvraag niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk daar zij voorheen in het bezit was van een attest van immatriculatie en dit slechts een voorlopige verblijfsdocument is. Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij het wettig aanwezig zijn op het Belgisch grondgebied heeft beoordeeld op het tijdstip van het indienen van de aanvraag. Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt geenszins dat het verblijf onder een attest van immatriculatie op het ogenblik van het indienen van de aanvraag niet aanvaard wordt als wettig verblijf omdat naderhand een weigeringsbeslissing wordt genomen, doch wel dat het verblijf onder een attest van immatriculatie op het ogenblik van het indienen van de aanvraag niet aanvaard wordt daar dit slechts een voorlopig verblijfsdocument betreft.µ
 
Gelet echter op het feit dat in de gevallen waarin het verblijfsrecht van het familielid van een Unieburger een declaratief karakter heeft, het familielid geacht wordt dit verblijfsrecht te genieten vanaf het ogenblik van de aanvraag tot erkenning van dit recht, op voorwaarde dat dit verblijfsrecht door de bevoegde overheid wordt toegekend na onderzoek van de voorwaarden waaraan het familielid van de Unieburger dient te voldoen (zie mutatis mutandis RvS 23 februari 2012, nr. 218.186 en GwH 26 september 2013, nr. 121/2013, B.35.7 en B.38.4), komt het niet foutief, noch kennelijk onredelijk voor dat de verwerende partij in de motieven van de bestreden beslissing, naast de vaststelling dat de verzoekende partij bij het indienen van de aanvraag voor de gecombineerde vergunning slechts over een voorlopig verblijfsdocument beschikte, eveneens er op wijst dat de gemeente naderhand, op 11 april 2019, een beslissing tot weigering van haar aanvraag voor een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie, nam. Op deze wijze geeft de verwerende partij immers aan dat ook na het indienen van de aanvraag tot een gecombineerde vergunning, op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing niet kan geoordeeld worden dat de verzoekende partij, omwille van het declaratief karakter van het verblijfsrecht, bij het indienen van voormelde aanvraag wettig op het grondgebied verbleef.
De verzoekende partij kan gelet op voormelde vaststellingen niet dienstig betogen dat de verwerende partij bij de beoordeling van de aanvraag geen rekening moet houden met de latere weigeringsbeslissing, dat door hiernaar te verwijzen om te concluderen dat de werknemer niet wettig verbleef op het grondgebied op het ogenblik van de indiening van de aanvraag, de verwerende partij de beslissing niet deugdelijk en zorgvuldig heeft gemotiveerd. Evenmin kan de verzoekende partij, gelet op voormelde vaststellingen, voorhouden dat de bestreden beslissing enkel rekening heeft gehouden met de weigeringsbeslissing. De Raad herhaalt dat in de motieven van de bestreden beslissing kan gelezen worden dat de vergunning geweigerd wordt op grond van artikel 61/25-5, §1, 3° van de Vreemdelingenwet daar de verzoekende partij op het ogenblik van het indienen van de aanvraag niet toegelaten of gemachtigd is tot een verblijf in het Rijk daar zij voorheen in het bezit was van een attest van immatriculatie en dit slechts een voorlopig verblijfsdocument is. Het betoog van de verzoekende partij dat de verwerende partij de aanvraag niet heeft beoordeeld op grond van haar wettige verblijfssituatie op het ogenblik van het indienen van de aanvraag mist dan ook feitelijke grondslag.