Samenvatting
In de bestreden beslissing wordt aangegeven dat verzoekster weliswaar nog in het echtelijke huis woont, aangezien zij weigert de woning te verlaten, maar dat zij geen gezinscel meer vormt met de referentiepersoon. Verweerder stelt verder in de bestreden beslissing: “Strikt genomen is betrokkene nog gehuwd met de Belg en zijn ze ook nog samenwonend, echter om het verblijfsrecht te verwerven dient er wel degelijk sprake te zijn van een gezinscel ongeacht de samenwoonst. Om het verblijfsrecht te behouden dient er eveneens sprake te zijn van een gezinscel, ongeacht te samenwoonst.” In de bestreden beslissing wordt aangegeven dat verzoekster en de Belgische onderdaan minstens sinds 26 juli 2018 geen gezinscel meer vormen en dat er op dat moment helemaal geen sprake meer is van ten minste 3 jaar gezinscel. Er wordt verder aangegeven dat de Belgische referentiepersoon stappen heeft ondernomen om verzoekster de toegang tot hun woonst te kunnen ontzeggen, dat hij zich slachtoffer voelt, dat zijn gezondheid achteruit gaat door de gehele situatie en dat hij zich bedreigd voelt in zijn eigen woning. Er wordt gesteld dat niets erop wijst dat de situatie tussen verzoekster en de referentiepersoon nog genormaliseerd zou kunnen worden of dat er ruimte is tot bemiddeling. Verweerder motiveert dat, in het licht hiervan, het enkele feit dat verzoekster en de referentiepersoon nog gehuwd zijn en samen in de echtelijke woonst leven, geen doorslaggevend element is.
Verzoekster betwist nergens dat de notie “gezamenlijke vestiging” door verweerder als dusdanig kan worden geïnterpreteerd, dat deze als beëindigd kan worden beschouwd, ook al wonen de betrokken personen nog in dezelfde woning, als er niet langer sprake is van een minimum aan relatie. Verzoekster wijst er wel op dat het een “boude bewering” betreft van verweerder waar hij stelt dat er sedert 26 juli 2018 geen gezinscel meer zou bestaan tussen haar en haar echtgenoot. Zij stelt dat de verwerende partij bovendien geen enkele motivering geeft waarom de gezinscel zou hebben opgehouden te bestaan “op exact 26 juli 2018”. Zij hekelt verder het gegeven dat de bestreden beslissing uitsluitend is gebaseerd op verklaringen en insinuaties van haar echtgenoot. Zij betoogt dat verweerder haar situatie in overweging diende te nemen en haar kant van het verhaal had moeten horen.
Voor wat betreft de vaststelling in de bestreden beslissing dat verzoekster en de Belgische onderdaan minstens sinds 26 juli 2018 geen gezinscel meer vormen, wordt dit, zoals verzoekster terecht opmerkt, niet nader gemotiveerd. In het administratief dossier bevindt zich echter een “synthese-document telefoongesprek” van die datum, opgesteld door D.R., A. die werkzaam is bij de Dienst Vreemdelingenzaken. Hierin wordt de inhoud van een telefoongesprek van D.R., A. met de burgerlijke stand van Nazareth weergegeven. Meer bepaald wordt hierin onder meer gesteld dat de echtgenoot van verzoekster bij de burgerlijke stand van Nazareth is komen melden dat hij vermoedens heeft dat zijn huwelijk een schijnhuwelijk is in hoofde van verzoekster en dat hij hiervan aangifte heeft gedaan bij de politie van De Pinte. Verzoeksters echtgenoot stelde verder dat verzoekster nog wel bij hem inwoont, maar dat ze een aparte kamer hebben. Daar de vaststelling in de bestreden beslissing dat er minstens sinds 26 juli 2018 geen gezinscel meer is, ondersteund wordt door bovenvermeld synthesedocument betreft het geen “boude bewering”.