Samenvatting
In de bestreden beslissing wordt gemotiveerd dat het aanslagbiljet voor het aanslagjaar 2018 - inkomstenjaar 2017 van de Belgische referentiepersoon onvoldoende recent is. De verzoekende partij betoogt echter dat op het moment van het indienen van de aanvraag op 5 september 2019, alsook op het moment van het verstrijken van de opgelegde termijn om stukken neer te leggen op 5 december 2019, het aanslagbiljet voor het aanslagjaar 2018 - inkomstenjaar 2017 het meest recente aanslagbiljet was waarover de Belgische referentiepersoon kon beschikken. De Raad stelt vast dat de aanvraag van de verzoekende partij inderdaad dateert van 5 september 2019. De verwerende partij betwist in haar nota met opmerkingen niet dat de verzoekende partij op dat moment nog geen aanslagbiljet had kunnen voorleggen dat recenter was dan dit van aanslagjaar 2018, referentiejaar 2017.
Er wordt door geen van de partijen betwist dat de Belgische referentiepersoon voor het nemen van de bestreden beslissing van 28 februari 2020 een nieuw aanslagbiljet ontving voor het aanslagjaar 2019, referentiejaar 2018, namelijk op 24 januari 2020. De verwerende partij stelt in haar nota met opmerkingen echter dat de verzoekende partij aldus nog tijd genoeg had om dit recenter aanslagbiljet neer te leggen. Zij gaat met deze vaststelling echter voorbij aan hetgeen duidelijk wordt gesteld in de bijlage 19ter van 5 september 2019, namelijk dat de verzoekende partij wordt verzocht om binnen de drie maanden, “dus ten laatste op 05/12/2019”, de nodige documenten voor te leggen. Gelet op deze bepaling is het niet kennelijk onredelijk dat de verzoekende partij het aanslagbiljet van aanslagjaar 2019, referentiejaar 2018, dat de Belgische referentiepersoon ontving op 24 januari 2020, nog niet had bijgebracht. Zoals de verzoekende partij correct opmerkt in haar verzoekschrift, zou dit immers bijna twee maanden na de ‘laatste’ datum pas worden doorgestuurd. Zij kon dan ook niet voorzien dat er met dit stuk alsnog rekening gehouden zou worden. Bovendien wordt met deze vaststelling niet betwist dat op het moment van het indienen van de aanvraag, alsook op het einde van de vooropgestelde termijn om stukken neer te leggen, het aanslagbiljet van aanslagjaar 2018, referentiejaar 2017 het meest recente was dat kon voorgelegd worden. De Raad acht het dan ook kennelijk onredelijk dat de verwerende partij het aanslagbiljet dat werd voorgelegd kwalificeert als onvoldoende recent. Daarenboven is dit niet het enige document dat de verzoekende partij in casu heeft bijgebracht om de bestaansmiddelen van de referentiepersoon aan te tonen. Dit stuk dient beoordeeld te worden samen met de andere stukken die neergelegd werden.
Wat betreft de spaarrekening, wijst de Raad op het volgende. In casu betwist de verwerende partij niet dat de referentiepersoon een aanzienlijk bedrag op haar rekeningen heeft staan. De verwerende partij meent echter dat het gaat om een momentopname en dat indien de referentiepersoon en de verzoekende partij de rente van die spaartegoeden zouden willen gebruiken voor hun levensonderhoud, er niet kan worden vastgesteld dat er een rente ter beschikking is ter waarde van 120% van het leefloon voor een persoon met gezinslast. De verwerende partij stelt verder dat voor zover het de bedoeling zou zijn dat de Belgische referentiepersoon het eigenlijke spaarbedrag aan zou spreken om in de bestaansmiddelen te voorzien, er opgemerkt dient te worden dat niet kan vastgesteld worden hoe dit spaarbedrag zal worden aangevuld en met welke regelmaat dit kan verwacht worden, dit spaarbedrag niet in aanmerking kan genomen worden.
Uit artikel 40ter, §2, eerste lid, 1° van de Vreemdelingenwet volgt dat de Belgische referentiepersoon moet beschikken over stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen, waarbij rekening wordt gehouden met de aard en regelmatigheid van de voorgelegde bestaansmiddelen. Artikel 40ter van de Vreemdelingenwet bepaalt echter niet met welk soort inkomsten een Belgische referentiepersoon bestaansmiddelen moet aantonen. Deze bepaling stelt enkel dat de bestaansmiddelen stabiel, toereikend en regelmatig moeten zijn. De begrippen “stabiel”, “toereikend” en “regelmatig” sluiten niet uit dat bestaansmiddelen die afkomstig zijn uit spaartegoeden wel degelijk stabiel en regelmatig kunnen zijn. In casu is het bedrag dat ter beschikking staat duidelijk gedefinieerd. Voorts volgt uit artikel 40ter van de Vreemdelingenwet enkel dat de Belgische referentiepersoon moet “aantonen” dat hij thans over deze bestaansmiddelen “beschikt”.
In de parlementaire voorbereiding van de wet van 8 juli 2011 tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, wordt de invoeging van artikel 40ter van de Vreemdelingenwet uitvoerig besproken. Daarbij wordt er de aandacht op gevestigd dat mensen die aan gezinshereniging doen over de middelen moeten beschikken om menswaardig te leven, dat het moet gaan om voldoende middelen van bestaan en dat het gaat over bestaansmiddelen die zij nodig hebben om in hun behoeften te voorzien zonder ten laste te vallen van de overheid (Parl.St., Kamer 2010-2011, nr. 53K0443/018). In elk geval mag deze voorwaarde geen onaanvaardbare belemmering worden op het recht op gezinshereniging (Parl.St., Kamer 2010-2011, nr. 53K0443/018, 206).
In casu toont de verzoekende partij aan dat de Belgische referentiepersoon op 6 september 2019 kon beschikken over een spaarbedrag van 384.637,96 euro, zoals blijkt uit het administratief dossier. Dit wordt niet betwist door de verzoekende partij. Het gaat aldus om een aanzienlijk bedrag. Bovendien volgt uit het aanslagbiljet voor aanslagjaar 2018, referentiejaar 2017, dat gelet op de eerdere bespreking mee in aanmerking genomen had moeten worden, dat de Belgische referentiepersoon een zeker jaarlijks inkomen geniet. De verwerende partij kan bijgevolg niet zonder meer motiveren dat niet blijkt op welke wijze het spaarbedrag aangevuld kan worden.
Bovendien kan de verwerende partij niet louter stellen dat het gaat om een momentopname. Er werd immers ook een aanslagbiljet neergelegd, waaruit een zeker jaarlijks inkomen van de Belgische referentiepersoon blijkt. Bovendien kan niet worden ingezien welke bewijzen van bestaansmiddelen niet als een momentopname kunnen worden beschouwd. Te dezen kan immers worden opgemerkt dat zelfs een werknemer met een arbeidsovereenkomst van onbepaalde duur evenmin in staat is om op absolute wijze stabiele, toereikende en regelmatige bestaansmiddelen voor de nabije toekomst te garanderen, aangezien een werknemer in grote mate afhankelijk is van zijn werkgever wat betreft het handhaven van zijn eigen werksituatie. In dit verband merkt de Raad op dat de verwerende partij eens het verblijf is toegekend, de mogelijkheid heeft om te controleren of nog steeds aan de verblijfsvoorwaarden wordt voldaan en zo niet een einde te stellen aan het recht op verblijf.
Daarenboven dient nog vastgesteld te worden dat in het administratief dossier drie loonfiches van de Belgische referentiepersoon te vinden zijn voor de periode januari-maart 2019. Deze fiches werden neergelegd in het kader van een aanvraag van de verzoekende partij om een visum kort verblijf te bekomen met oog op een huwelijk. Dit visum werd aangevraagd op 24 april 2019 en aan de verzoekende partij toegekend. Op 31 augustus 2019, juist vier maanden na de aanvraag om een visum, zijn de verzoekende partij en de Belgische referentiepersoon met elkaar getrouwd. Nog eens vijf dagen later, dient de verzoekende partij de huidige aanvraag in om een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie te bekomen. Gelet op de zeer korte periode tussen deze verschillende aanvragen en het feit dat de verwerende partij redelijkerwijs op de hoogte had moeten zijn van het administratiefrechtelijk verleden van de verzoekende partij, had zij in casu wel kunnen weten dat de Belgische referentiepersoon maandelijks een loon ontvangt. Dit element, samengenomen met het zeer aanzienlijk spaarbedrag van de Belgische referentiepersoon, leidt tot de vaststelling dat de motieven in de bestreden beslissing aangaande het neergelegde rekeninguittreksel kennelijk onredelijk zijn daar de verwerende partij niet met het geheel van de neergelegde documenten en hun onderlinge samenhang rekening heeft gehouden zoals blijkt uit de motieven van de bestreden beslissing.