Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 236.159 - 28-05-2020

Samenvatting

De Raad stelt vast dat verzoekende partij geen concrete elementen bijbrengt die afbreuk doen aan de in de beschikking van 2 april 2020 opgenomen grond. Verzoekende partij gaat in haar pleitnota immers niet in het minst in concreto in op de grond in voormelde beschikking, doch ze beperkt zich louter tot het op beknopte en algemene verwijzen naar haar verzoekschrift en komt voor het overige met een geheel nieuwe argumentatie omtrent het coronavirus COVID-19 en de impact ervan op haar situatie.
 
Verzoekende partij laat evenwel voormelde beschikking (inhoudelijk) geheel ongemoeid en laat alzo na concrete en valabele opmerkingen bij te brengen die de hierin opgenomen grond, waarbij haar vluchtrelaas ongeloofwaardig wordt bevonden en waarbij wordt vastgesteld dat zij hoe dan ook niet aannemelijk maakt dat het haar in haar land van herkomst Georgië aan nationale bescherming ontbreekt, in een ander daglicht vermogen te plaatsen.
 
Ten overvloede wijst de Raad erop dat het coronavirus niet uitgaat van, noch worden het virus en de ziekte COVID 19 veroorzaakt door een van de actoren voorzien/opgenomen in artikel 48/5, §1 van de Vreemdelingenwet. Bijgevolg valt de vrees voor dit virus of het risico door dit virus te worden getroffen niet onder het toepassingsgebied van de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet (RvS 20 oktober 2014, nr. 10 864 (c)) (zie in dezelfde zin HvJ, 18 december 2014, C-542/13, M’Bodj) (GwH 21 mei 2015, nr. 59/2015, B.7).
 
De Raad stipt tevens nog aan dat het reisadvies van de FOD Buitenlandse Zaken, waar verzoekende partij naar verwijst en waarin o.a. staat te lezen dat “Wegens de coronacrisis kunnen niet-Georgische reizigers het Georgische grondgebied tot nader order niet meer betreden (noch via lucht, land of zee).” - hetgeen dus niet voor verzoekende partij als Georgisch staatsburger geldt-, slechts gericht is aan Belgische onderdanen die van plan zijn om naar Georgië te reizen of die zich er momenteel gedurende de coronacrisis bevinden, doch het vormt geenszins een leidraad voor de onafhankelijke asielinstanties belast met het onderzoek van verzoeken om internationale bescherming (cf. RvS 25 september 2007, nr. 174.848). Overigens blijkt hieruit nergens dat de ontwikkelingen van de COVID-19-pandemie in Georgië een zodanig niveau zouden bereiken dat Georgische onderdanen, zoals verzoekende partij, in of bij een terugkeer in dit land zouden worden blootgesteld aan het risico van een onmenselijke of vernederende behandeling. De Raad merkt bovendien op dat, daargelaten overigens dat de bestreden beslissing op zich geen verwijderingsmaatregel inhoudt, geen enkele informatie waartoe hij toegang kan hebben, erop wijst dat Georgië door deze pandemie meer dan België zou worden getroffen.