Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 239.710 - 17-08-2020

Samenvatting

Het zorgvuldigheidsbeginsel wordt onderzocht in het licht van de aangevoerde schending van artikel 1, § 1, 8° van de Vreemdelingenwet.
 
Deze bepaling luidt als volgt:
 
“§ 1. Voor de toepassing van deze wet wordt verstaan onder:
8° inreisverbod: de beslissing die kan samengaan met een beslissing tot verwijdering en waarbij de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van het Rijk of het grondgebied van alle lidstaten, met inbegrip van het grondgebied van het Rijk, voor een bepaalde termijn verboden wordt;”
 
Verzoeker benadrukt dat artikel 1, § 1, 8° van de Vreemdelingenwet enkel een grondslag biedt voor het opleggen van oftewel een zuiver nationaal inreisverbod waarbij het territoriaal toepassingsgebied tot het Belgisch grondgebied wordt beperkt oftewel een inreisverbod waarbij de toegang en verblijf op het grondgebied van alle Schengenlidstaten verboden wordt. Verzoeker stelt vast dat in de bestreden beslissing beide situaties naar voren worden geschoven maar er in feite geen keuze wordt gemaakt. Verzoeker voert aan dat het volkomen onduidelijk is op welke wijze bepaald zal worden wat het territoriaal toepassingsgebied van de bestreden beslissing zal zijn. Verzoeker stelt zich de vraag of de gemachtigde een nieuwe beslissing zal nemen, op welke manier kan of zal worden vastgesteld of hij nog een verblijfstitel heeft in een andere lidstaat en of dit ook kan gedurende de periode waarop het inreisverbod betrekking heeft. Verzoeker vraagt zich af of het territoriaal toepassingsgebied van de bestreden beslissing verruimt als verzoeker een verblijfstitel heeft, maar die vervolgens verliest.
 
In de bestreden beslissing wordt in dit verband als volgt gemotiveerd:
 
“Wordt een inreisverbod voor 3 jaar opgelegd voor het volledige Schengengrondgebied. Wanneer betrokkene evenwel in het bezit is van een geldige verblijfstitel afgeleverd door één van de lidstaten, dan geldt dit inreisverbod enkel voor het grondgebied van België.”
 
Hieruit blijkt dat het territoriaal toepassingsgebied van de bestreden beslissing in principe “het volledige Schengengrondgebied” bestrijkt. Wanneer verzoeker in het bezit is van een geldige verblijfstitel afgeleverd door één van de lidstaten, dan geldt dit inreisverbod enkel voor het grondgebied van België.
 
Aangenomen kan worden dat verzoeker zelf weet of hij “in het bezit is van een geldige verblijfstitel afgeleverd door één van de lidstaten”. Verzoeker deelt niet mee dat dit het geval zou zijn, aldus moet worden vastgesteld dat de bestreden beslissing geldt “voor het volledige Schengengrondgebied”.
 
Verder benadrukt verzoeker nog dat artikel 1, § 1, 8° van de Vreemdelingenwet onder meer de omzetting vormt van artikel 3, 6° van de Terugkeerrichtlijn en hij verwijst daarnaast naar artikel 25, lid 2, laatste zin van de Schengenuitvoeringsovereenkomst als lex specialis. Verzoeker voert aan dat de situatie zoals in de bestreden beslissing, waarbij het territoriaal toepassingsgebied van de bestreden beslissing niet beperkt is tot België en een draagwijdte heeft die geldt voor alle lidstaten tenzij “wanneer betrokkene evenwel in het bezit is van een geldige verblijfstitel afgeleverd door één van de lidstaten, dan geldt dit inreisverbod enkel voor het grondgebied van België” geen wettelijke grondslag vindt in artikel 1, § 1, 8° van de Vreemdelingenwet noch in het Unierecht.
 
Verzoeker kan worden gevolgd dat uit artikel 1, § 1, 8° van de Vreemdelingenwet volgt dat een inreisverbod ofwel een zuiver nationale draagwijdte heeft, ofwel geldt voor het grondgebied van alle lidstaten. De formulering in de bestreden beslissing is daarmee niet in strijd.
 
Artikel 3, 6° van de Terugkeerrichtlijn luidt als volgt:
 
“inreisverbod”: een administratieve of rechterlijke beslissing of handeling waarbij de betrokkene de toegang tot en het verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor een bepaalde termijn wordt verboden, samen met een terugkeerbesluit”.
 
In de aanbeveling (EU) 2017/2338 van de Commissie van 16 november 2017 tot vaststelling van een gemeenschappelijk “terugkeerhandboek” voor gebruik door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij de uitvoering van terugkeergerelateerde taken en het in bijlage gevoegde terugkeerhandboek benadrukt als volgt:
 
“11.1. EU-brede werking.
 
(…)
 
Uit het voorgaande blijkt dat een inreisverbod in beginsel voor alle lidstaten moet gelden en dat geen louter nationale inreisverboden kunnen worden opgelegd, tenzij in het geval van artikel 11, vierde lid, van de Terugkeerrichtlijn die de situatie viseert van een lidstaat die overweegt een verblijfstitel af te geven aan de onderdaan van een derde land jegens wie reeds een door een andere lidstaat uitgevaardigd inreisverbod geldt.
 
Hieruit blijkt niet dat de formulering in de bestreden beslissing strijdig is met het Unierecht.
 
Verzoeker slaagt er niet in aan te tonen dat er in casu werd uitgegaan van een foutieve feitenvinding, zodat de schending van de zorgvuldigheidsplicht in het licht van artikel 1, § 1, 8° van de Vreemdelingenwet niet kan worden aangenomen.