Samenvatting
Kernpunt van verzoekers betoog is dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met het feit dat zijn minderjarige zoon B.D. “gehandicapt is met een mentale beperking” en in een instelling verblijft. Hij stelt dat het dan ook logisch is dat hij niet gezamenlijk gevestigd is met dit kind. Hij benadrukt dat hij het kind regelmatig gaat bezoeken in de instelling. Volgens verzoeker had de verwerende partij via de consultatie van het rijksregister van dit alles kennis kunnen nemen. Verzoeker acht het een schending van de zorgvuldigheidsplicht dat de verwerende partij geen rekening heeft gehouden met de gezondheidsproblemen van zijn zoon. Tevens acht hij het een schending van het hoger belang van het kind dat de verwerende partij in de bestreden beslissing geen aandacht geschonken heeft aan zijn zoon die wegens zijn mentale beperking tot een zeer kwetsbare groep behoort.
Bij brief van 22 mei 2019 van de verwerende partij werd verzoeker verzocht zijn individuele situatie toe te lichten zodat kon worden getoetst of hij het verblijfsrecht nog steeds kon uitoefenen. Middels de in punt 1.4. bedoelde brief werd verzoeker meer bepaald uitgenodigd om volgende recente bewijzen bij te brengen: (…)
Zoals reeds eerder geduid diende verzoeker binnen de maand na kennisname van voormelde brief de gevraagde recente bewijzen over zijn situatie voor te leggen. Verzoeker tekende voor ontvangst-name van deze brief op 23 mei 2019. Uit het administratief dossier blijkt niet dat verzoeker ook maar enig document voorlegde. Zulks wordt ook niet voorgehouden in het verzoekschrift.
Verzoeker, die specifiek gevraagd werd om over te leggen, “het bewijs dat betrokkene een financiële en affectieve band met de Belgische kinderen [B.R.] […] en [B.D.] […] heeft behouden sinds hij niet meer op hetzelfde adres woont als de kinderen, respectievelijk 23.04.2014 en 7.10.2016. Daarbij wordt concreet gedacht aan het voorleggen van het bewijs dat hij de bewaring over hen heeft of er bezoekrecht is afgesproken en het bewijs dat dit concreet wordt uitgevoerd, alsook het bewijs dat betrokkene mee financieel instaat voor de kinderen.” en het gevraagde bewijs niet heeft overgelegd, is slecht geplaatst om de verwerende partij te verwijten geen rekening te hebben gehouden met zijn minderjarige gehandicapte zoon. Hij beweert wel, maar toont niet aan dat de verwerende partij via het Rijksregister kennis had kunnen nemen van het feit dat hij niet meer gezamenlijk gevestigd kon zijn met zijn zoon B.D. aangezien deze in een instelling verblijft door gezondheidsproblemen. In het administratief dossier zitten uittreksels uit het Rijksregister maar hieruit kan niet worden afgeleid wat verzoeker voorhoudt. Hij laat ook na te verduidelijken hoe zelfs uit een eventuele vermelding in het Rijksregister over een plaatsing van B.D. in een instelling (quod non), de verwerende partij kan afleiden dat verzoeker zijn zoon regelmatig in de instelling bezoekt en of hij met hem een financiële of affectieve band heeft. Alleszins, het is niet aan de verwerende partij om zelf de puzzelstukken te gaan leggen over het verblijf van verzoekers zoon, B.D. en de band van verzoeker met deze zoon. De zorgvuldigheids-plicht voor de overheid, waarop verzoeker zich beroept, rust ook op hem (RvS 28 april 2008, nr. 182.450) en hij heeft hieraan niet voldaan door geen informatie te geven aan de verwerende partij hoewel hij daartoe uitdrukkelijk werd uitgenodigd bij brief van 22 mei 2019. De Raad merkt ook nog op dat verzoeker zich ook van enig commentaar onthoudt voor wat betreft de band met zijn andere minderjarige Belgische zoon B.R., op wie de verwerende partij wijst in haar brief van 22 mei 2019.