Samenvatting
In de bestreden beslissing wordt nergens betwist dat verzoeker in België steeds effectief heeft samengewoond met mevrouw N.W. Wel wordt vastgesteld dat verzoeker de facto ten laste is van de Belgische Staat, en de op dit punt gestelde voorwaarde voor de verdere verlenging van het verblijf dus niet is voldaan.
Verzoeker wijst op het arbeidscontract van mevrouw N.W. in het kader van artikel 60 van de OCMW-wet. Hij betoogt dat verweerder ten onrechte geen rekening houdt met deze arbeidsovereenkomst. Hij is van mening dat een tewerkstelling op basis van artikel 60 van de OCMW-wet niet neerkomt op een beroep op de sociale bijstand, in tegenstelling tot wat in de bestreden beslissing wordt gemotiveerd. Verzoeker verwijst hierbij naar twee arresten van de Raad.
De Raad wijst er vooreerst op dat arresten in de continentale rechtstraditie geen precedentswaarde hebben.
Een eenvoudige lezing van de bestreden beslissing leert verder dat rekening werd gehouden met de tewerkstelling van mevrouw N.W. in het kader van artikel 60 van de OCMW-wet. In zoverre verzoeker niet akkoord gaat met de beoordeling die hieromtrent wordt gemaakt – beoordeling die er hoofdzakelijk in bestaat dat dit een sociale tewerkstelling betreft waarbij de betrokkene wordt gefinancierd vanuit het sociale bijstandsstelsel en dus ten laste komt van de Belgische Staat – wordt erop gewezen dat de Raad van State reeds heeft geoordeeld dat “de tewerkstelling in het kader van artikel 60, § 7, van de OCMW-wet een vorm van maatschappelijke dienstverlening is met een residuair karakter en gefinancierd als een aanvullend bijstandsstelsel. Deze vorm van maatschappelijke dienstverlening heeft per definitie een zeer tijdelijk karakter en wordt slechts gegeven totdat de betrokkene recht heeft op een gewone sociale uitkering waarvan het bedrag minstens gelijk is aan dat van het leefloon. Het gaat net om inkomsten waardoor de betrokkene ten laste van de openbare overheden is en niet om inkomsten waardoor zulks wordt vermeden.” (RvS 11 december 2019, nr. 246.365; RvS 3 april 2020, nr. 247.369). Het is dan ook niet kennelijk onredelijk dat verweerder in het voorliggende geval stelt dat, ondanks de voorgelegde arbeidsovereenkomst in het kader van artikel 60 van de OCMW-wet, verzoeker de facto ten laste komt van de Belgische Staat. Het gegeven dat deze tewerkstelling op termijn het recht opent op het ontvangen van werkloosheidsuitkeringen houdt niet in dat verweerder op het ogenblik van het nemen van de bestreden beslissing incorrect heeft vastgesteld dat verzoeker de facto ten laste valt van de Belgische staat, waardoor een van de voorwaarden gesteld voor de verdere verlenging van het verblijf niet was voldaan. Verzoeker betwist de motivering trouwens ook niet dat er binnen het eerstkomende jaar geen enkel vooruitzicht was dat de gezinsleden niet langer ten laste zouden komen van de Belgische Staat.
(…)
Rekening houdend met het gegeven dat een beslissing tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten een beslissing is tot verwijdering in de zin van artikel 1, 6° van de Vreemdelingenwet waarmee aan de betrokken vreemdeling een terugkeerverplichting wordt opgelegd, moet het bestuur bij het nemen van een beslissing tot afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten reeds onderzoeken of die verwijderingsmaatregel in overeenstemming is met de normen van de internationale verdragen waardoor België is gebonden, te dezen met artikel 3 van het EVRM (RvS 9 maart 2020, nr. 247.254).
Er wordt, aangaande een terugkeer naar het land van herkomst, dat geenszins wordt geïdentificeerd, in de bestreden beslissing enkel het volgende gemotiveerd: “In hoeverre betrokkene al dan niet nog familie heeft in het land van herkomst is ons onbekend. Betrokkene heeft alvast zelf het tegendeel niet bewezen. Gezien betrokkenes leeftijd en de, in verhouding tot zijn leeftijd, korte periode van verblijf in België, is het redelijk te stellen dat betrokkene nog voldoende de eigen taal beheerst en voldoende voeling heeft met zijn herkomstland om te kunnen spreken van culturele en sociale banden met zijn land van oorsprong. Niets wijst erop dat betrokkene dusdanig van zijn herkomstland zou zijn vervreemd dat hij er geen aansluiting bij de mensen, gebruiken en maatschappij meer zou kunnen vinden.”
Blijkens de stukken van het administratief dossier heeft verweerder er kennis van dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op 28 januari 2013 de subsidiaire beschermingsstatus toekende aan de partner van verzoeker, dit omdat er in haar regio in het land van herkomst sprake is van willekeurig geweld en omwille van het ontbreken van een reëel binnenlands vluchtalternatief. Nog blijkt uit het administratief dossier dat de partner in het kader van haar procedure voor internationale bescherming ook verklaarde dat zij, verzoeker en hun kinderen samen uit Afghanistan zijn gevlucht en het gezin pas in Griekenland door een mensensmokkelaar werd gesplitst, waarna de partner en een van de dochters doorreisden naar België. Uit het administratief dossier blijkt daarenboven dat verzoeker in Griekenland een verzoek om internationale bescherming had ingediend.
Noch uit de bestreden beslissing noch uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verweerder heeft onderzocht of, rekening houdende met de voormelde gegevens zoals deze voorhanden zijn in het administratief dossier, een terugkeer van verzoeker naar zijn land van herkomst dan wel enig ander land actueel mogelijk is zonder miskenning van artikel 3 van het EVRM. De voormelde gegevens zijn nochtans van die aard dat een dergelijk onderzoek zich opdrong voorafgaand aan de afgifte van een bevel om het grondgebied te verlaten.