Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 239.443 - 4-08-2020

Samenvatting

In casu blijkt uit verzoekers verklaringen en de door hem neergelegde UNRWA-registratiekaart dat hij geregistreerd is bij het bureau van UNRWA in Amman, Jordanië (adm. doss., stuk 7, notities van het persoonlijk onderhoud, p. 11, en stuk 20, map met ‘documenten’, nr. 2). Verzoeker verklaart evenwel nooit hulp van UNRWA te hebben verkregen en ook nooit in Jordanië te zijn geweest. Uit verzoekers verklaringen en de door hem neergelegde documenten blijkt verder dat zijn moeder, een van zijn broers en zijn twee zussen in Jordanië verblijven en dat hij geprobeerd heeft zijn familie in Jordanië te bezoeken, doch dat zijn visumaanvraag geweigerd werd (adm. doss., stuk 7, notities van het persoonlijk onderhoud, p. 4, 5, 11-12, en stuk 20, map met ‘documenten’, nrs. 5 en 6). Aldus dient te worden besloten dat verzoeker zich steeds buiten het mandaatgebied van UNRWA heeft bevonden en zich nooit daadwerkelijk heeft beroepen op de bijstand die UNRWA daar biedt.
 
De argumentatie in het verzoekschrift, volgens dewelke het door verzoeker voorgelegde UNRWA-registratiebewijs onweerlegbaar bewijst dat hij daadwerkelijk hulp van UNRWA heeft genoten, kan niet worden gevolgd. Verzoeker baseert deze argumentatie op rechtsoverweging 52 van voormeld arrest Nawras Bolbol van het Hof van Justitie, de conclusies van advocaat-generaal E. Sharpston van 4 maart 2010 betreffende deze zaak en de omschrijving van het toepassingsgebied ratione personae van artikel 1, D van het Verdrag van Genève in de richtlijnen van UNHCR betreffende de toepassing van deze bepaling op Palestijnse vluchtelingen. In tegenstelling tot wat verzoeker voorhoudt blijkt vooreerst nergens uit de rechtspraak van het Hof van Justitie dat het voorleggen van een UNRWA-registratiekaart een “onweerlegbaar bewijs” vormt van het feit dat men daadwerkelijk de hulp van UNRWA genoten heeft. Het Hof van Justitie heeft enkel geoordeeld dat dergelijke kaart een toereikend bewijs vormt (HvJ 17 juni 2010, C-31/09, Nawras Bolbol v. Bevándorlási és Államolgársági Hivatal, § 52). Ten grondslag aan deze overweging ligt de vraag hoe een verzoeker bewijst dat hij daadwerkelijk bescherming of bijstand heeft genoten in de zin van artikel 12, eerste lid, a), eerste zin, van de Kwalificatierichtlijn. Aldus preciseert het Hof van Justitie dat een UNRWA-registratiebewijs daartoe voldoende doch niet noodzakelijk is, rekening houdend met het feit dat de bijstand van UNRWA ook wordt geboden aan personen die niet geregistreerd zijn. In die zin dient ook de conclusie van advocaat-generaal E. Sharpston te worden gelezen, waar zij het bewijs van daadwerkelijke registratie bij UNRWA aldus opvat dat het een onweerlegbaar vermoeden schept dat een verzoeker daadwerkelijk bijstand heeft genoten (Conclusie advocaat-generaal E. Sharpston van 4 maart 2010 bij zaak C-31/09, Nawras Bolbol v. Bevándorlási és Államolgársági Hivatal, § 99). De bewijswaarde van de door verzoeker voorgelegde UNRWA-registratiekaart is dus niet absoluut, in de zin dat dit document moet worden beoordeeld in het licht van het geheel van de elementen van het dossier, waaronder verzoekers verklaringen. De Raad wijst erop dat verzoeker niet betwist dat hij nooit in Jordanië, het land waar hij geregistreerd is, verbleven heeft. Integendeel, verzoeker stelt juist dat hij nooit toegang heeft verkregen tot het Jordaanse grondgebied, doch enkel geregistreerd werd bij UNRWA omdat hij “als afstammeling” daar “recht” op had. Aldus bevestigt verzoeker dat hij weliswaar gerechtigd was om UNRWA-bijstand te genieten, doch deze nooit daadwerkelijk heeft ingeroepen dan wel genoten heeft. De omstandigheid dat verzoeker getracht heeft het mandaatgebied van UNRWA waar hij geregistreerd is binnen te komen maar daartoe verhinderd is door administratieve en juridische belemmeringen is in dezen niet relevant. De Raad herhaalt dat artikel 1, D, tweede zin, van het Verdrag van Genève toepassing vindt wanneer overeenkomstig deze bepaling de bescherming of bijstand “om welke reden ook is opgehouden”, wat impliceert dat de betrokkene minstens kort voor het indienen van het verzoek om internationale bescherming deze bescherming of bijstand daadwerkelijk heeft genoten, quod non in casu. Wat betreft het standpunt dat UNHCR uiteenzet in voornoemde richtlijnen over de toepassing van artikel 1, D van het Verdrag van Genève op Palestijnse vluchtelingen, merkt de Raad op dat richtlijnen van UNHCR weliswaar waardevolle aanwijzingen kunnen bevatten over de toepassing van het Verdrag van Genève, maar geen juridisch bindend karakter hebben en dus geen afdwingbare rechtsregels bevatten waarop verzoeker zich kan steunen om de onwettigheid van de bestreden beslissing aan te voeren. Bovendien strookt de ruime benadering van UNHCR niet met het feit dat artikel 1, D van het Verdrag van Genève een uitsluitingsclausule betreft en bijgevolg restrictief dient te worden geïnterpreteerd, zoals door het Hof van Justitie in voornoemd arrest Nawras Bolbol wordt gesteld.
 
De Raad ziet dan ook geen reden om in te gaan op het verzoek van verzoeker om aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen over de draagwijdte van artikel 12 van de richtlijn 2011/95/EU. Bovendien is krachtens artikel 267, derde lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de nationale rechterlijke instantie slechts gehouden het Hof van Justitie te verzoeken uitspraak te doen over een prejudiciële vraag indien haar beslissingen “volgens het nationale recht niet vatbaar zijn voor hoger beroep”. Dit laatste omvat ook de rechterlijke beslissingen waartegen een cassatieberoep kan worden ingesteld (HvJ 16 december 2008, Cartesio, nr. C-210/06, §§ 76-79; HvJ 4 juni 2002, Lyckeskog, nr. C-99/00, §§ 16-17). Daar de uitspraken van de Raad overeenkomstig artikel 39/67 van de Vreemdelingenwet vatbaar zijn voor het cassatieberoep voorzien bij artikel 14, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, is de Raad bijgevolg niet gehouden om de door verzoeker voorgestelde prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie. Gelet op wat voorafgaat, heeft de commissaris-generaal onderhavig verzoek om internationale bescherming terecht onderzocht in het licht van de artikelen 48/3 en 48/4 van de Vreemdelingenwet en voert verzoeker niet dienstig de schending aan van artikel 55/2 van de Vreemdelingenwet.