Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 248.580 - 2-02-2021

Samenvatting

De Raad kan de verwerende partij dan ook volgen waar wordt gesteld dat het “voegen bij” niet inhoudt dat de ouder op hetzelfde adres dient samen te wonen met het Belgisch minderjarige kind, doch dat er wel sprake moet zijn van een minimum aan relatie tussen beiden. De verweerder geeft hieraan een redelijke invulling door bij gebrek aan samenwoonst te vereisen dat affectieve en/of financiële banden worden aangetoond tussen ouder en minderjarig kind. De Raad dient echter de verzoekende partij bij te treden waar zij stelt dat in voorliggende zaak op kennelijk onredelijke wijze invulling wordt gegeven aan deze vereiste.
 
Het bestaan van de affectieve banden vereist geenszins dat de verzoekende partij zeer actief betrokken moet zijn bij de levens van zijn minderjarige kinderen. Zoals het EHRM reeds heeft geoordeeld vormt immers noch de scheiding tussen de ouders van minderjarige kinderen, zoals in voorliggende zaak, noch het feit dat de contacten tussen het kind en zijn ouder die het niet opvangt slechts af en toe zouden plaatsvinden, een uitzonderlijke omstandigheid die toelaat vast te stellen dat er geen sprake meer is van een gezinsleven tussen de betrokken ouder en het minderjarig kind (EHRM 11 juli 2000, Ciliz/Nederland, § 59). Aangezien het de wil is van de wetgever om middels de voorwaarden van artikel 40ter, §2, eerste lid, 2°, van de Vreemdelingenwet de door artikel 8 van het EVRM geboden bescherming van de bijzondere band van afhankelijkheid tussen kinderen en hun ouders te verzekeren, stelt de Raad vast dat de verwerende partij de voorliggende feiten niet correct heeft beoordeeld en dat zij aan artikel 40ter, §2, eerste lid, 2°, van de Vreemdelingenwet op een kennelijk onredelijke wijze invulling heeft gegeven door te oordelen dat er in voorliggende situatie geen sprake is van aangetoonde affectieve en/of financiële banden.
 
Zo wordt niet ontkend dat er een – weliswaar vrije, doch zekere – overeenkomst bestaat tussen de verzoekende partij en haar toenmalige partner over onder meer de omgang met de kinderen (1 maal per week) en de bijdrage in de kosten, en wordt niet betwist dat de verzoekende partij effectief omgang heeft met de kinderen – er werden tal van foto’s van de verzoekende partij met haar kinderen en whatsapp-gesprekken tussen hen voorgelegd – waaromtrent de verwerende partij bovendien zelf oordeelt dat er sprake is van wederzijdse interesse en contact. In deze omstandigheden dient de Raad vast te stellen dat niet op kennelijk redelijke wijze invulling wordt gegeven aan de vereiste van het aantonen van affectieve banden tussen de verzoekende partij en haar kinderen. De verwerende partij verduidelijkt niet waarom de aangetoonde wederzijdse interesse en het contact niet bewijzen dat er sprake is van een affectieve band.