Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 252.357 - 8-04-2021

Samenvatting

De verwerende partij stelt in de bestreden beslissing vast dat verzoeker niet samenwoont met zijn kind en dat in die zin niet kan worden vastgesteld dat hij zijn kind komt begeleiden of vervoegen. Vervolgens gaat zij na of er afdoende is aangetoond dat er wel een financiële en affectieve band bestaat tussen verzoeker en zijn kind.
 
Wat betreft de financiële banden van verzoeker met het kind stelt de verwerende partij vast
 
- dat verzoeker reeds voor zijn opsluiting in de gevangenis en voor de aanvraag gezinshereniging alimentatie betaalde aan de moeder van zijn dochter via zijn rekening;
- dat uit het vonnis van 15 mei 2018 van de familierechtbank blijkt dat er een voorlopig omgangsrecht is, elke zaterdag van 15 tot 18 uur in de woning van de moeder en dat verzoeker 50 dan wel 70 euro per maand aan alimentatie moet betalen met ingang van maart 2018 enerzijds, en hij ook samen met de moeder instaat voor de bijzondere kosten anderzijds;
- dat er bewijzen zijn dat de moeder alimentatie heeft gekregen maar niet rechtstreeks van verzoeker zelf, doch via derden, die hebben verklaard op eer dat verzoeker het geld heeft gegeven maar dat niets uitsluit dat deze gelden nadien terugbetaald geweest zijn én uit een brief blijkt dat de moeder van het kind een overschrijving van 50 euro heeft gedaan aan verzoeker, hetgeen “de omgekeerde wereld” lijkt.
- dat op 25 juni 2020 alimentatie wordt betaald vanaf de eigen rekening van verzoeker maar het de vraag is in hoeverre verzoeker dat in de toekomst zal kunnen blijven doen, nu hij geen bewijzen heeft voorgelegd dat hij een inkomen geniet; daar wordt aan toegevoegd dat verzoeker in het verleden tewerkgesteld is geweest en hij met zijn attest van immatriculatie en zijn bijlage 35 kan worden tewerkgesteld;
 
De verwerende partij besluit dat de financiële band onvoldoende is aangetoond.
 
Verzoeker acht dit kennelijk onredelijk. Hij betoogt dat hij ondanks zijn moeilijke situatie er alles aan heeft gedaan om ervoor te zorgen dat het kind een maandelijkse onderhoudsbijdrage kreeg, dat hij hiervoor een vriendin heeft ingeschakeld die een verklaring op eer heeft opgesteld volgens de formaliteiten van artikel 961/1 van het Gerechtelijke Wetboek, dat de veronderstellingen van de verwerende partij, dat verzoeker zowel deze vriendin als de moeder van zijn dochter zover heeft gekregen om geld over te schrijven van de ene naar de andere bankrekening en vervolgens weer terug en hierover dan valse verklaringen af te leggen, louter om hem te helpen bij een verblijfsaanvraag op geen enkel objectief element zijn gegrond, terwijl de vermeldingen op de bankoverschrijvingen duidelijk erop wijzen dat de betalingen werden uitgevoerd ter betaling van de onderhoudsbijdrage voor verzoekers dochter. Nadien heeft hij de onderhoudsbijdrage betaald van zijn eigen rekening, van zodra hij die kon openen eens hij in het bezit werd gesteld van een attest van immatriculatie.  
 
De Raad stelt vooreerst vast dat het niet kennelijk onredelijk is van de verwerende partij om te stellen dat, indien men een verblijfsrecht wenst te ontlenen aan een gezinssituatie die a-typisch is, dat mag worden verwacht dat er voldoende sluitende bewijsstukken worden voorgelegd. Deze bewijsstukken moeten evenwel met de nodige zorgvuldigheid worden beoordeeld. Verder moet de Raad, zoals reeds gesteld, nagaan of het bestuur bij de totstandkoming van de bestreden beslissing is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet op kennelijk onredelijke wijze tot haar besluit is gekomen (RvS 7 november 2001, nr. 101.624).
 
Zoals verzoeker terecht betoogt, is dat laatste niet het geval waar de verwerende partij in de bestreden beslissing het volgende stelt:
 
“Wat de financiële band met zijn kind betreft, kan worden gesteld dat hij reeds vóór zijn opsluiting in de gevangenis en vóór de aanvraag gezinshereniging reeds alimentatie betaalde aan de moeder via zijn rekening. Doch diende de moeder op 26/03/2018 een verzoekschrift in bij de familierechtbank van Antwerpen voor het afdwingen van een omgangsregeling voor haar dochter. Toeval of niet, maar op dat zelfde moment was betrokkene aangehouden en opgesloten in de gevangenis. Op 24/04/2018 zijn ze gehoord geweest door de rechtbank en op 15/05/2018 velt de rechtbank een vonnis inzake de omgangsregeling. Betrokkene was in beiden in persoon aanwezig (vermoedelijk met een uitgangspermissie van justitie?). […]”
 
Hoewel het vonnis, dat zich in het dossier bevindt, een materiële vergissing bevat die een niet-alerte lezer op het verkeerde been zou kunnen zetten omtrent de hoedanigheid van de partijen, blijkt uit de kop en de bewoordingen ervan duidelijk dat verzoeker zelf de eisende partij was, niet de moeder van zijn kind.
 
De verkeerde voorstelling van zaken in de bestreden beslissing is in casu relevant, omdat ze de teneur lijkt te zetten voor de verdere overwegingen luidens dewelke de verwerende partij erop alludeert dat de moeder van verzoekers kind betrokken is bij financiële transacties die niet overeenstemmen met de werkelijkheid en die als enig doel zouden hebben het bekomen van een verblijfsrecht voor verzoeker. Zo betwist de verwerende partij niet dat de verschuldigde alimentatie voor het kind wordt betaald op de rekening van de moeder, soms via de rekening van derden, maar stelt zij dat niets zou uitsluiten dat de gelden nadien werden terugbetaald. Elders in de beslissing wordt dan weer verwezen naar het feit dat de moeder van het kind aan verzoeker 50 euro heeft overgeschreven tijdens zijn verblijf in de gevangenis, hetgeen zij als de omgekeerde wereld beschouwt. 
 
De Raad heeft er alle begrip voor dat de verwerende partij zich in casu behoedzaam opstelt. Deze behoedzaamheid mag evenwel niet leiden tot een kennelijk onredelijke beoordeling van de voorliggende elementen op grond van hypotheses zonder meer die het voor een aanvrager quasi onmogelijk maken te voldoen aan de bewijslast.
 
Ter zake moet erop worden gewezen dat de verwerende partij zélf heeft vastgesteld dat verzoeker reeds voor zijn opsluiting in de gevangenis –en dus ook reeds voor het vonnis van 15 mei 2018- alimentatie betaalde aan de moeder van zijn dochter. Verder kan niet worden voorbijgegaan aan het gegeven dat verzoeker bij vonnis van 15 mei 2018 wordt gehouden tot “betaling van een onderhoudsbijdrage van 50,00 euro per maand aan moeder voor voornoemde minderjarige” en “tot betaling van een onderhoudsbijdrage van 70,00 euro per maand aan moeder voor voornoemde minderjarige in de maanden dat hij betaald werk heeft.” De niet-betwiste betalingen van het alimentatiegeld voor verzoekers dochter, op de rekening van de moeder, en zelfs indien ze zijn vervuld door de tussenkomst van derden, moeten dan ook in eerste instantie worden beschouwd als zijnde de uitvoering van het vonnis. In de gegeven omstandigheden, komt het aan de verwerende partij toe om haar veronderstellingen aangaande terugbetalingen van het door verzoeker betaalde onderhoudsgeld te staven met objectieve elementen. Zij blijft daartoe in gebreke. Het motief dat de moeder van het kind van verzoeker hem tijdens zijn verblijf in de gevangenis 50 euro heeft overgeschreven, doet aan de voorgaande vaststellingen geen afbreuk. Immers, de alimentatie die verzoeker verschuldigd is, is ten behoeve van zijn dochter en staat los van een eenmalige overschrijving die haar moeder aan verzoeker heeft gedaan.
 
Uit het voorgaande volgt dat een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de materiële motiveringsplicht is aangetoond bij de beoordeling van de financiële band van verzoeker met zijn Belgisch kind. De argumentatie van de verwerende partij in haar nota doet daaraan geen afbreuk. Het middel is in de besproken mate gegrond.