Samenvatting
Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verzoeker op 13 oktober 2020 door de Zwitserse autoriteiten werd gesignaleerd op grond van artikel 24 van de SIS II-Verordening.
Met de aanvraag van een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie op grond van artikel 40bis van de vreemdelingenwet maakte de verzoeker zich op 14 januari 2021 bij het bestuur kenbaar als familielid van een burger van de Unie, die het recht op vrij verkeer geniet.
De Raad herinnert eraan dat het verblijf als familielid van een burger van de Unie een declaratoir recht betreft. De afgifte van de verblijfskaart doet geen nieuwe rechten ontstaan, maar is de handeling waarbij een lidstaat de individuele positie van een onderdaan van een andere lidstaat ten opzichte van het Unierecht vaststelt (HvJ 25 juli 2002, MRAX, C-459/99, nr. 74).
Dit heeft tot gevolg dat, indien na het onderzoek van de aanvraag komt vast te staan dat de betrokken derdelander-familielid voldoet aan de grondvoorwaarden om het recht op vrij verkeer te genieten, hij geacht wordt dat recht op vrij verkeer te hebben genoten gehad vanaf het ogenblik dat hij zich kenbaar maakte als familielid van de Unieburger die zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend.
Bijgevolg kan het bestuur deze aanvraag niet weigeren omwille van de seining op grond van artikel 24 van de SIS II-Verordening, zonder eerst na te gaan of de verzoeker al dan niet begunstigde is van het recht op vrij verkeer. Immers, indien vastgesteld wordt dat verzoeker zich bevindt in een situatie van vrij verkeer van personen, valt verzoeker onder de toepassing van de bepalingen van de Burgerschapsrichtlijn. Zoals hoger aangehaald, kan in dat geval enkel om redenen van openbare orde de aanvraag worden geweigerd. Indien daarentegen wordt vastgesteld dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 40bis van de vreemdelingenwet, zal hij worden beschouwd als derdelander en kan de seining op grond van artikel 24 van de SIS II-Verordening hem worden tegengesteld.
In geen van beide hypotheses is een afhankelijkheidstoets volgens de criteria, bepaald in het arrest K.A. van het Hof van Justitie, aan de orde. Een dergelijke afhankelijkheidstoets heeft immers betrekking op de vraag in welke mate het inreisverbod kan worden tegengesteld aan derdelander-familielid van een Belg die zijn recht op vrij verkeer niet heeft uitgeoefend.
Verzoeker dient dan ook te worden bijgetreden waar hij aanvoert dat de aanvraag van een verblijfskaart van een burger van de Unie enkel kon worden geweigerd om redenen van openbare orde, zoals voorzien in artikel 43 en volgende van de vreemdelingenwet.
In de nota met opmerkingen herhaalt de verwerende partij het standpunt, ingenomen in de bestreden beslissing, dat uit het arrest K.A. volgt dat een aanvraag tot gezinshereniging kan worden geweigerd omwille van een inreisverbod. Zoals hoger uiteengezet gaat de verwerende partij hiermee voorbij aan het feit dat het arrest K.A. betrekking had op een gezinshereniging met een “statische” Belg, die zijn recht op vrij verkeer niet heeft uitgeoefend. De verwerende partij negeert volkomen dat de thans bestreden beslissing betrekking heeft op een familielid van een burger die zijn recht op vrij verkeer heeft uitgeoefend, en die aldus ressorteert onder het toepassingsgebied van de Burgerschapsrichtlijn. De nota met opmerkingen werpt geen ander licht op hogerstaande analyse en wordt dan ook niet bijgetreden.