Samenvatting
Verzoekster, een transvrouw met Noord-Macedonische en Bulgaarse nationaliteit, diende in februari 2020 een VIB in. In juni 2021 neemt het CGVS een beslissing houdende een niet-ontvankelijk verzoek (EU onderdaan). De bestreden beslissing werd genomen op basis van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 4°, van de Vreemdelingenwet dat aan de commissaris-generaal de bevoegdheid geeft om een VIB van een onderdaan van een EU-lidstaat (of van een staat die partij is bij een toetredingsverdrag tot de EU dat nog niet in werking is getreden) niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij de verzoeker elementen kan aanbrengen waaruit blijkt dat hij in die lidstaat of staat zal worden blootgesteld aan vervolging of ernstige schade.
De RvV wijst erop dat er een weerlegbaar vermoeden geldt dat een persoon die onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie geen nood heeft aan internationale bescherming. Er kan immers van worden uitgegaan dat de fundamentele rechten van de betrokkenen er niet zullen worden geschonden, minstens dat de betrokkenen er over de nodige mogelijkheden van beroep beschikken indien dat wel het geval zou zijn. Hieruit volgt een vermoeden dat verzoekster, die de Bulgaarse en Noord-Macedonische nationaliteit heeft, in Bulgarije geen nood heeft aan internationale bescherming.
Verzoekster heeft ook niet duidelijk aangetoond dat er wat haar betreft een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade bestaat in Bulgarije. De Raad benadrukt dat de feitelijke problemen waarmee transgenders in Bulgarije te maken kunnen hebben niet mogen worden onderschat, maar dat echter niet blijkt dat in Bulgarije alle transgenders systematisch worden blootgesteld aan discriminatie die dusdanig is dat zij gelijkgeschakeld kan worden met een daad van vervolging of ernstige schade. Het feit dat wijziging van genderidentiteit volgens het Bulgaarse Grondwettelijk Hof ongrondwettig is, dat homoadoptie binnen een LGBT-koppel en homohuwelijk in Bulgarije illegaal zijn en dat er geen toegankelijke en gratis procedure zou zijn om van burgerlijk geslacht te veranderen, zijn volgens de Raad geen daden van vervolging die zo ernstig van aard zijn dat zij een schending vormen van de grondrechten van de mens, mat name de rechten ten aanzien waarvan geen afwijking mogelijk is uit hoofde van artikel 15.2 van het EVRM. De omstandigheid dat verzoekster in afwachting van de voltooiing van haar transitie geen officiële geslachtsaanpassing zou kunnen krijgen is op zich ook onvoldoende zwaarwichtig om als vervolging of ernstige schade in aanmerking te kunnen worden genomen. Bovendien maakt verzoekster niet aannemelijk dat zij geen beroep zou kunnen doen op de Bulgaarse beschermingsmogelijkheden in geval van discriminatie of andere problemen.
De RvV stelt ook dat aangezien verzoekster geen elementen naar voor brengt waaruit blijkt dat zij in Bulgarije zal worden blootgesteld aan vervolging in de vluchtelingenrechtelijke zin of aan het lijden van ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet, een onderzoek naar de situatie voor transgenders in Noord-Macedonië niet aan de orde.
De Raad verwerpt dan ook het beroep tegen de beslissing van het CGVS.