Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 272.190 - 2-05-2022

Samenvatting

Uit het voorgaande blijkt dat de wetgever, waar hij gebruik heeft gemaakt van de term “hoederecht”, heeft gedoeld op de ouder die de daadwerkelijke zorg voor het kind draagt. Verzoekers verwijzing naar het feit dat hij nog steeds het ouderlijke gezag heeft, volstaat in die optiek niet om aannemelijk te maken dat hij voldoet aan de bepalingen van artikel 40bis, §2, eerste lid, 5° van de Vreemdelingenwet.
 
De verwerende partij is in essentie van oordeel dat niet is voldaan aan de wettelijke voorwaarden omdat verzoeker niet het bewaarrecht heeft over zijn zoon en hem ook niet ten laste heeft; de staat heeft deze rollen overgenomen, zo stelt de verwerende partij, nu het kind samen met zijn broer door de jeugdrechter in een centrum voor integrale jeugd- en gezinszorg werd geplaatst omwille van een verontrustende opvoedingssituatie. Zij wijst er verder op dat, gelet op deze beschermende maatregel, het verlenen van een afgeleid verblijfsrecht aan verzoeker niet juist zou zijn, nu hij weliswaar een belangrijke rol speelt wat betreft de ontwikkeling van de kinderen maar dat die rol niet allesomvattend is en hij niet de voornaamste zorgdrager is.
 
Verzoeker stelt daar tegenover dat uit artikel 40bis, §2, eerste lid, 5° van de Vreemdelingenwet niet blijkt dat hij de “allesomvattende voornaamste zorgdrager” moet zijn.
 
In dit verband wijst de Raad erop dat het Hof van Justitie in het arrest van 13 september 2016 in herinnering heeft gebracht dat “de eventuele rechten die de Unierechtelijke bepalingen inzake het Unieburgerschap aan derdelanders verlenen, geen eigen rechten zijn, maar rechten die zijn afgeleid uit de uitoefening van het recht van vrij verkeer en verblijf door een Unieburger (zie in die zin arresten van 8 mei 2013, Ymeraga e.a., C 87/12, EU:C:2013:291, punt 35; 10 oktober 2013, Alokpa en Moudoulou, C 86/12, EU:C:2013:645, punt 22, en 12 maart 2014, O. en B., C 456/12, EU:C:2014:135, punt 36 en aldaar aangehaalde rechtspraak). Een afgeleid verblijfsrecht ten behoeve van een derdelander bestaat in beginsel dus alleen wanneer dat recht noodzakelijk is ter verzekering dat een Unieburger zijn rechten om vrij te reizen en te verblijven in de Unie, doeltreffend kan uitoefenen.” (HvJ, 13 september 2016, C‑165/14, Rendón Marín, pt. 36)
 
In de door de verwerende partij geschetste omstandigheden toont verzoeker niet aan dat de verwerende partij voorwaarden toevoegt aan de wettelijke bepalingen of kennelijk onredelijk of onzorgvuldig oordeelt door te stellen dat hij niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 40bis, §2, 5° van de Vreemdelingenwet zodat hem geen afgeleid verblijfsrecht kan worden toegestaan. Verzoekers argument dat hij over voldoende inkomsten beschikt en een ziekteverzekering heeft doet aan het hiervoor gestelde geen afbreuk. Zoals de verwerende partij in de bestreden beslissing terecht stelt, zijn de te vervullen voorwaarden van de gezinshereniging cumulatief, en volstaat de vaststelling dat minstens één van deze voorwaarden niet vervuld is om de aanvraag te weigeren.
 
Verzoeker verwijst naar de vaderrol die hij daadwerkelijk heeft opgenomen, en die door de verwerende partij niet wordt betwist, ook niet in de bestreden beslissing. Echter, uit niets, ook niet uit de brieven van de instelling waar het kind van verzoeker verblijft, blijkt dat zijn niet-betwiste betrokkenheid als vader op korte termijn ervoor zou zorgen dat de jeugdrechter de plaatsing van de kinderen niet langer noodzakelijk zou achten om hun lichamelijke en geestelijke ontwikkeling te beschermen. In die context acht de Raad de verwijzing in de bestreden beslissing naar de processen-verbaal die werden opgesteld voor weerspannigheid, en slagen en verwondingen wel degelijk relevant. Verzoeker tracht één en ander te relativeren door te verwijzen naar het feit dat de pv’s kaderen in een dispuut met zijn ex-partner, maar precies omwille van het feit dat de kinderen zijn geplaatst om reden van een verontrustende opvoedingssituatie, toont hij niet aan dat het kennelijk onredelijk is van de verwerende partij om hiernaar te verwijzen. In de mate dat hij zich de vraag stelt of de verwerende partij wel de bevoegdheid heeft om inzage te krijgen in de Algemene Nationale Gegegevensbank van de geïntegreerde nationale politie, komt het aan hem, en niet aan de Raad toe, om hierover een middel te ontwikkelen dat de vermeende onwettigheid hiervan aankaart. Voorts moet worden vastgesteld dat verzoeker het bestaan van de bedoelde pv’s niet betwist. Waar hij verwijst naar het vermoeden van onschuld omdat hij nog niet is veroordeeld, wijst de Raad erop dat dit vermoeden een fundamenteel beginsel uit het strafrecht is, dat betrekking heeft op de bewijslast in het kader van de strafvervolging. De bestreden beslissing is geen maatregel van strafrechtelijke aard maar wel een administratieve rechtshandeling en dus kan verzoeker de schending van dit beginsel niet dienstig opwerpen. Het vermoeden van onschuld belet dus niet dat het bestuur op grond van een eigen onderzoek een standpunt inneemt over feiten die nog niet tot een strafrechtelijke veroordeling hebben geleid en op basis hiervan een beslissing neemt inzake de verblijfsrechtelijke situatie van een vreemdeling (RvS 28 juni 2004, nr. 133.173; RvS 14 juli 2008, nr. 185.388; RvS 11 juni 2015, nr. 231.531). Overigens moet er nog op worden gewezen dat verzoeker niet ernstig kan beweren dat het perfect mogelijk is dat deze pv’s zonder gevolg zullen worden geklasseerd. De verwerende partij verwijst in haar nota naar een correctioneel vonnis van 8 oktober 2021 waaruit blijkt dat verzoeker inmiddels na verzet werd veroordeeld voor de feiten uit één van de drie aangehaalde pv’s, met name het opzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen aan de moeder van de kinderen en waarin wordt gesteld dat uit de aard van de feiten een verstoord normbesef blijkt en een gebrek aan respect voor andermans fysieke en mentale integriteit in het bijzonder ten aanzien van de moeder van zijn kinderen. De Raad stelt vast dat dit vonnis, dat zich in het administratief dossier bevindt, pas ter kennis werd gebracht van de verwerende partij op 29 november 2021, enkele dagen na het nemen van de bestreden beslissing op 19 november 2021. De verwerende partij kon hier dus niet dienstig naar verwijzen omdat zij zelf niet op de hoogte was van deze veroordeling op het moment dat zij haar beslissing nam. Verder kan in dat kader er nog op worden gewezen dat de brieven van de instelling waar het kind van verzoeker verblijft, niet gedateerd zijn en niet blijkt of er met dit gegeven rekening werd gehouden.
 
Verzoekers argument dat de pv’s niet relevant zijn voor de gezinsherenigingsaanvraag, en dat de verwerende partij geen gewag maakt van het feit dat hij een gevaar zou zijn voor de openbare orde doet geen afbreuk aan de voorgaande vaststellingen.
 
Wat tot slot de verwijzing betreft naar het arrest nr. 227 796 van de Raad van 23 oktober 2019, moet erop worden gewezen dat in dit arrest werd geoordeeld over een bevel om het grondgebied te verlaten, niet over diens aanvraag voor een verblijfsrecht, zoals in casu het geval is. Aan verzoeker werd geen bevel om het grondgebied te verlaten opgelegd, zodat de verwijzing naar dit arrest alleen al om die reden niet relevant is.
 
(…)
 
In casu betreft het geen weigering van voortgezet verblijf, zodat een toetsing aan de hand van het tweede lid van artikel 8 van het EVRM niet aan de orde is. Er moet eerder onderzocht worden of er een positieve verplichting is voor de staat om de betrokken vreemdeling op zijn grondgebied te laten komen of verblijven zodat hij zijn gezinsleven aldaar kan handhaven en ontwikkelen (EHRM 28 november 1996, Ahmut/Nederland, § 63; EHRM 31 januari 2006, Rodrigues Da Silva en Hoogkamer/Nederland, § 38; EHRM 3 oktober 2014, Jeunesse/Nederland (GK), § 105). Dit geschiedt aan de hand van een ‘fair balance’-toets waarbij wordt nagegaan of de staat een redelijke afweging heeft gemaakt tussen de concurrerende belangen van de vreemdeling en diens familie, enerzijds, en die van de Belgische samenleving bij het voeren van een migratiebeleid en het handhaven van de openbare orde, anderzijds. Staten beschikken bij deze belangenafweging over een zekere beoordelingsmarge. De omvang van de positieve verplichting is afhankelijk van de specifieke omstandigheden van de betrokken individuen en het algemeen belang. (EHRM 17 oktober 1986, Rees/The United Kingdom, § 37; EHRM 31 januari 2006, Rodrigues Da Silva en Hoogkamer/Nederland, § 39; EHRM 3 oktober 2014, Jeunesse/Nederland (GK), § 106-107).
 
De Raad stelt in eerste instantie vast dat het gezinsleven tussen verzoeker en zijn zoon niet wordt betwist. Waar hij er evenwel doorheen zijn betoog van uit gaat dat hij ingevolge de bestreden beslissing naar zijn herkomstland zal moeten terugkeren en dat hij daardoor zal worden gescheiden van zijn kind, moet erop worden gewezen dat de bestreden beslissing geen verwijderingsmaatregel in zich draagt en niet tot gevolg heeft dat hij van zijn minderjarige zoon wordt gescheiden. Het gezinsleven in de vorm zoals het nu bestaat, wordt derhalve niet daadwerkelijk verbroken.
 
Verzoeker verwijst nog naar het hoger belang van het kind, zoals dat is vooropgesteld in artikel 24 van het Handvest en artikel 3.1 van het Internationaal Kinderrechtenverdrag, en betoogt dat het feit dat hij geen verblijfsvergunning krijgt in België een invloed heeft op het verblijf van zijn zoontje in de instelling, in die zin dat van zodra hij over een verblijfsrecht beschikt de jeugdrechter een verblijf van het kind bij verzoeker zal overwegen, wat thans niet het geval is omwille van zijn illegaal verblijf. Dit blijkt ook duidelijk uit het schrijven van de instelling zelf, zo stelt verzoeker, die verwijst naar het stuk 2 bij zijn verzoekschrift.
 
De Raad acht deze argumentatie volstrekt hypothetisch, zelfs gelet op het schrijven van de instelling. Immers, er kan niet aan worden voorbijgegaan dat het kind van verzoeker, samen met zijn broer, is geplaatst omwille van een verontrustende opvoedingssituatie, om hun lichamelijke en geestelijke ontwikkeling te beschermen, en inmiddels heeft verzoeker het voorwerp uitgemaakt van een paar processen-verbaal én werd hij veroordeeld bij vonnis van 8 oktober 2021 na verzet voor het opzettelijk toebrengen van slagen en verwondingen aan de moeder van zijn kinderen waarbij, zoals reeds in het kader van het eerste middel werd vastgesteld, erop werd gewezen dat uit de feiten een verstoord normbesef blijkt en een gebrek aan respect voor andermans fysieke en mentale integriteit. Aangezien de brieven van de instelling die verzoeker voorlegt niet gedateerd zijn, is niet aangetoond dat met dit gegeven rekening werd gehouden en welke impact het zou hebben op de oordeelsvorming inzake de
RvV X - Pagina 15
verdere nood aan bescherming van het kind. Zoals reeds gesteld, blijkt uit niets dat de jeugdrechter kortelings een einde zou willen stellen aan de huidige beschermingsmaatregelen.
Dat de verwerende partij in deze omstandigheden de positieve verplichting zou hebben om verzoeker een afgeleid verblijfsrecht te verlenen om het hoger belang van het kind te vrijwaren, is dan ook niet aangetoond. Wat er ook van zij: verzoeker vraagt in wezen een vrijstelling van de wettelijke voorwaarden die verbonden zijn aan zijn vraag tot gezinshereniging. De Raad merkt dienaangaande op dat het Grondwettelijk Hof in zijn arrest nr. 2013/121 in punt B.44.3. op het volgende heeft gewezen: “Artikel 21 van het VWEU (..) het recht van vrij verkeer van de burger van de Unie – en bijgevolg dat van zijn familieleden – echter aan de « beperkingen en voorwaarden die […] zijn vastgesteld », met name bij de richtlijn 2004/38/EG, die het verblijfsrecht van de burger van de Unie aan verscheidene voorwaarden onderwerpt die inzonderheid ten doel hebben de gezinshereniging te beperken tot de naaste familieleden van de burger van de Unie, de onrechtmatige praktijken te bestrijden en erop toe te zien dat die burger of zijn familieleden geen onredelijke last voor het gastland worden. In de 31ste overweging van de richtlijn 2004/38/EG wordt ten slotte onderstreept dat die laatste « de grondrechten en de fundamentele vrijheden [eerbiedigt] en […] met name de beginselen in acht [neemt] die zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie », met inbegrip van het recht op menselijke waardigheid en het recht op het familie- en gezinsleven (artikelen 1 en 7 van het Handvest)”.
 
Bij de beoordeling van het eerste middel werd al aangetoond dat in de bestreden beslissing werd vastgesteld dat verzoeker niet heeft aangetoond dat hij voldoet aan de voorwaarden van artikel 40bis,§2, 5° van de Vreemdelingenwet en dat hij er niet in is geslaagd om deze vaststelling als onwettig of ondeugdelijk af te doen. Verzoeker toont, gelet op het voorgaande, dan ook niet aan dat hem alsnog, bij wijze van positieve verplichting, een verblijfsrecht zou moeten worden verleend op grond van de aanwezigheid van zijn Spaans kind in België.
 
Een schending van artikel 8 van het EVRM wordt niet aangetoond, net zomin als een miskenning van het hoger belang van het kind uit hoofde van artikel 24.2 van het Handvest of artikel 3.1 van het Internationaal Kinderrechtenverdrag. Verzoeker toont verder niet aan dat en licht niet toe waarom artikel 22 van de Grondwet een andere beoordeling zou behoeven.