Hof van Justitie - C-280/21 - 12-01-2023

Samenvatting

In de zaak Migracijos departamentas werd het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: “het Hof”) via een prejudiciële procedure om uitlegging gevraagd inzake artikel 10 van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (hierna: “richtlijn 2011/95”).
De zaak betrof de weigering van een verzoek om het verlenen van de vluchtelingenstatus aan een onderdaan van een derde land, P.I., op grond van risico’s verbonden aan een strafrechtelijke vervolging in zijn land van herkomst. De Litouwse migratiedienst oordeelde immers dat hoewel de redenen die aan het risico van strafrechtelijke vervolging en detentie ten grondslag lagen weliswaar waren vastgesteld en als aannemelijk werden beschouwd, dat deze redenen niet overeenkwamen met gronden uit het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (hierna: ‘Verdrag van Genève), waaronder met name de grond gebaseerd op het begrip “politieke overtuiging”. De vraag rees immers of verzet tegen een illegaal opererende en corrupte invloedrijke groepering, die P.I. via het staatsapparaat onderdrukt en waartegen als gevolg van omvangrijke corruptie in de staat niet met wettige middelen kan worden opgekomen, kan worden gelijkgesteld met een toegeschreven “politieke overtuiging” in de zin van artikel 10 van richtlijn 201/95.
In casu concludeert het Hof dat artikel 10, lid 1, onder e), en lid 2, van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd dat het begrip “politieke overtuiging” ook ziet op de pogingen van een persoon die om internationale bescherming verzoekt in de zin van artikel 2, onder h) en i), van deze richtlijn, om zijn persoonlijke vermogensrechtelijke en economische belangen met wettige middelen te verdedigen tegen illegaal opererende niet-overheidsactoren wanneer deze actoren het repressieve apparaat van deze staat tegen de verzoeker kunnen inzetten, wegens hun corrupte banden met de betrokken staat. Dit geldt voor zover deze pogingen door de actoren van vervolging worden opgevat als oppositie of verzet aangaande een aangelegenheid die verband houdt met deze actoren of hun beleid en/of hun methoden.
Ter staving van deze uitlegging benadrukt het Hof allereerst dat richtlijn 2011/95 moet worden uitgelegd in het licht van de algemene opzet en doelstelling ervan, met inachtneming van het Verdrag van Genève en het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna: ‘het Handvest’). Het Hof oordeelt vervolgens dat uit de bewoordingen van artikel 10 van richtlijn 2011/95 volgt dat het begrip “politieke overtuiging” ruim moet worden uitgelegd.
Een dergelijke ruime uitlegging vindt volgens het Hof in de eerste plaats ook steun in het Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status and Guidelines on International Protection under the 1951 Convention and the 1967 Protocol relating to the Status of Refugees opgesteld door het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen (hierna: ‘UNHCR’). Deze richtsnoeren suggereren immers eveneens een ruime opvatting van het begrip “politieke overtuiging”, waaronder met name elke overtuiging betreffende het staatsapparaat, de regering, de samenleving of een beleid moet worden begrepen.
In de tweede plaats moet het begrip “politieke overtuiging” ook worden uitgelegd in het licht van het recht op vrijheid van mening en meningsuiting, zoals beschermd door artikel 11 van het Handvest en de uitlegging daarvan in het licht van artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) (artikel 52, lid 3 van het Handvest). Het Hof oordeelt dat de rechtspraak van het EHRM strookt met de ruime uitlegging die moet worden gegeven aan het begrip “politieke overtuiging”. Dit omvat elke opvatting, gedachte of mening die, zonder noodzakelijkerwijs rechtstreeks en onmiddellijk politiek van aard te zijn, die door de actoren van vervolging wordt opgevat als verband houdend met deze actoren of hun beleid en/of hun methoden, en een uiting van oppositie of verzet daartegen vormt.
In de derde plaats verduidelijkt het Hof ten slotte dat de ruime uitlegging van het begrip “politieke overtuiging” als “grond van vervolging” in de zin van artikel 10, lid 1, onder e), van richtlijn 2011/95 impliceert dat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij het vaststellen van het bestaan van een dergelijke opvatting en het oorzakelijk verband tussen die opvatting en de daden van vervolging, rekening moeten houden met de algemene context van het land van herkomst van de persoon die om de vluchtelingenstatus verzoekt, met name wat de politieke, juridische, gerechtelijke, historische en sociaal-culturele aspecten betreft.