Samenvatting
In deze zaak is de verzoeker een persoon van Palestijns nationaliteit. Hij diende een eerste verzoek in België in, dat niet-ontvankelijk werd verklaard aangezien hij reeds internationale bescherming geniet in Griekenland. Die beslissing werd bevestigd door de RvV in arrest 273.326.
Verzoeker diende een tweede verzoek om internationale bescherming in België in, dat door het CGVS opnieuw niet-ontvankelijk werd verklaard.
Verzoeker haalt aan dat hij onmogelijk naar Griekenland kan terugkeren en verwijst naar de moeilijke levensomstandigheden daar. Bij terugkeer loopt hij het risico op een onmenselijk en vernederende behandeling voert hij aan, en bovendien is hij sinds hij Griekenland definitief heeft verlaten in behandeling in België voor zijn psychische problematiek.
De vraag is of met deze argumentatie verzoeker nieuwe elementen aanhaalt om aan te tonen dat hij een ernstig risico loopt op een door artikel 4 van het Handvest verboden handeling in de lidstaat die hem reeds internationale bescherming heeft verleend. De verschillende rapporten van gespecialiseerde organisaties die in het verzoekschrift worden aangehaald, waren niet betrokken bij de eerdere beoordeling van het verzoek om internationale bescherming, de beslissing tot niet-ontvankelijkheid of het arrest 273.326.
De voorgelegde landeninformatie toont aan dat de situatie voor statushouders in Griekenland moeilijk is op het vlak van huisvesting, werkloosheid en de toegang tot sociale voorzieningen en gezondheidszorgen. Teruggekeerde statushouders worden bovendien geconfronteerd met aanzienlijke bureaucratische obstakels. De beschikbare landeninformatie laat echter voor de RvV niet toe te besluiten dat de levensomstandigheden in Griekenland van dien aard zijn dat statushouders bij terugkeer a priori een reëel risico lopen om terecht te komen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie waar de autoriteiten onverschillig tegenover staan en een verdere individuele beoordeling niet meer nodig is.
De hernieuwing of verlenging van verblijfsvergunningen van statushouders die vanuit een andere lidstaat terugkeren blijkt echter uiterst moeilijk en kan verschillende maanden tot een jaar in beslag nemen. Het niet hebben van een geldige verblijfsvergunning kan bovendien een belangrijke hinderpaal zijn bij het uitoefenen van hun rechten als personen die er internationale bescherming genieten. In sommige gevallen moet er in het hernieuwingsaanvraag worden aangetoond dat er nog steeds vervolging is in het land van herkomst. Zo’n aanvraag duurt gewoonlijk één jaar. Dit betekent dat een groot aantal begunstigden van internationale bescherming in Griekenland meer dan een jaar geen toegang hebben tot de arbeidsmarkt, sociale bijstand en soms gezondheidszorg waardoor ze worden blootgesteld aan ontbering en dakloosheid.
Al deze informatie die verzoeker aanhaalt, leidt de RvV ertoe te besluiten dat er een grote kans bestaat dat statushouders die terugkeren vanuit andere lidstaten en die geen geldige verblijfsvergunning hebben, noch sociaal netwerk of ondersteuning, kunnen terechtkomen in een situatie van dakloosheid en behoeftigheid in Griekenland. Rekening houdend ook met de kwetsbaarheid van de verzoeker omwille van zijn psychologische problemen, besluit de RvV dat een verder en gedegen onderzoek van verzoekers situatie als begunstigde van internationale bescherming in/bij terugkeer naar Griekenland nodig is. Er kan volgens de RvV niet worden uitgesloten dat verzoeker buiten zijn wil en persoonlijke keuzes om en omwille van zijn mogelijk bijzondere kwetsbaarheid, kan terechtkomen in een toestand van achterstelling die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid in het licht van artikel 4 van het Handvest. De situatie van verzoeker in geval van terugkeer naar Griekenland dient bijgevolg nader en naar behoren te worden geanalyseerd en daarom besluit de RvV de beslissing van het CGVS te vernietigen.