Hof van Justitie - T-600/21 - 6-09-2023

Samenvatting

De zaak WS e.a. tegen Europees Grens- en kustwachtagentschap betreft een vordering tot schadevergoeding voor het Gerecht van de Europese Unie (hierna: ‘het Gerecht’) op grond van artikel 268 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie (hierna: ‘VWEU’) wegens vermeend “onbehoorlijk gedrag” door het Europees Grens- en kustwachtagentschap van de EU (hierna: ‘Frontex’). De zaak had betrekking op Syrische onderdanen die na aankomst in Griekenland in 2016 te kennen gaven dat ze er een verzoek om internationale bescherming wensten in te dienen. Na een gezamenlijke terugkeeroperatie van Frontex en Griekenland werden ze echter overgedragen aan Turkije. De verzoekers claimden dat Frontex wegens diens ondersteunende rol bij de uitvoering van deze terugkeeroperatie diens grondrechtelijke verplichtingen uit hoofde van Verordening (EU) 2016/1624 van het Europees Parlement en de Raad van 14 september 2016 betreffende de Europese grens- en kustwacht niet was nagekomen.
Het Gerecht stelt dat de taak van Frontex beperkt is tot het verstrekken van technische en operationele ondersteuning aan de lidstaten. De bevoegdheid om terugkeerbesluiten te beoordelen en verzoeken om internationale bescherming te onderzoeken, ligt echter uitsluitend bij de lidstaten. Het Gerecht oordeelt bijgevolg dat aangezien Frontex niet bevoegd is om de gegrondheid van dergelijke onderliggende beslissingen te beoordelen, het niet mogelijk is om het causaal verband vast te stellen tussen de beweerde schade en het aan Frontex verweten gedrag. In dit verband benadrukt het Gerecht dat causaliteit inhoudt dat de schade rechtstreeks moet voortvloeien uit het beweerd onrechtmatig gedrag en niet uit de reactie van de verzoeker  op dit gedrag. De schade met betrekking tot de huisvestingskosten in Turkije, de vergoedingen voor de smokkelaars om naar Irak te reizen, de levensonderhoudskosten, de angstgevoelens en het leed tijdens de reis naar Irak en de kosten van vertegenwoordiging zijn volgens het Gerecht niet rechtstreeks toe te schrijven aan het gedrag van Frontex. Het Gerecht stelt immers dat dit komt doordat verzoekers zich niet hebben gehouden aan de Turkse tijdelijke reisvergunning, waardoor ze slechts op bepaalde data naar de ‘Provincial Directorate of Immigration of Sanliurga’ mochten reizen. Verder wijst het Gerecht erop dat de vlucht naar Irak een gevolg is van hun angst om door Turkije teruggestuurd te worden naar Syrië. Concluderend stelt het Hof dat de verzoekers onvoldoende bewijs hadden geleverd om een rechtstreeks causaal verband aan te tonen tussen hun de schade en de aan Frontex verweten gedraging. Bijgevolg werd het beroep tot schadevergoeding verworpen.