Samenvatting
In de zaak Bundesrepublik Deutschland (Recevabilité d’une demande ultérieure) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: “het Hof”) in een prejudiciële beslissing geoordeeld dat elk arrest van het Hof een “nieuw element” kan vormen bij de behandeling van een volgend verzoek om internationale bescherming. In de prejudiciële beslissing gaf het Hof op die manier uitleg over de interpretatie van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming (hierna: “richtlijn 2013/32/EU”), in het bijzonder artikel 33, lid 2, onder d), artikel 40, leden 2 en 3 en artikel 46, lid 1, onder a), ii).
Het hoofdgeding betrof een geding tussen A. A., een derdelander, en de Bondsrepubliek Duitsland, over de niet-ontvankelijkheidsverklaring van het volgend verzoek om toekenning van de vluchtelingenstatus dat door A. A. werd ingediend. A. A. is een Syrisch onderdaan die in 2012 Syrië had verlaten uit vrees te worden opgeroepen voor militaire dienst of gevangen te worden gezet indien hij dit zou weigeren. In Duitsland heeft de federale dienst voor migratie en vluchtelingen hem in 2017 de vluchtelingenstatus geweigerd en hem subsidiaire bescherming verleend.
Na een arrest van 2020 van het Hof betreffende een Syrische gewetensbezwaarde diende A. A. een volgend verzoek in de zin van artikel 2) onder q), van richtlijn 2013/32/EU in. Volgens A. A. betekende dit arrest immers een “wijziging van de stand van het recht” en vormde dit arrest een “nieuw element”, aangezien ten gevolge van dit arrest de bewijslast voor asielzoekers die hun land zijn ontvlucht om hun militaire verplichtingen te ontlopen gunstiger zou worden geïnterpreteerd. De aanvraag werd echter als niet-ontvankelijk afgewezen, zonder de zaak ten gronde te onderzoeken. In het kader van de aanvechting van deze beslissing stelde de Duitse bestuursrechter in eerste aanleg prejudiciële vragen over de voorwaarden om een uitspraak van het Hof als een “nieuw element of feit” te kwalificeren opdat een volgend verzoek kan worden ingediend.
Het Hof verduidelijkt dat inderdaad elk arrest van het Hof waarin een bepaling van het Unierecht wordt uitgelegd die reeds van kracht was op het tijdstip waarop een vorig verzoek werd beslist, een nieuw element vormt, ongeacht het tijdstip waarop het arrest is gewezen, mits het de kans aanzienlijk groter maakt dat de verzoeker in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet. Op die manier geeft het Hof uitlegging aan de interpretatie van artikel 33, lid 2, onder d), en artikel 40, leden 2 en 3, van richtlijn 2013/32EU. Het Hof voegt daaraan toe dat lidstaten op grond van artikel 46, lid 1, onder a), ii), van richtlijn 2013/32/EU de mogelijkheid hebben om hun rechterlijke instanties de bevoegdheid te verlenen om, wanneer zij een niet-ontvankelijkverklaring van een volgend verzoek nietig verklaren, zelf beslissen over dat verzoek, zonder dat ze de behandeling van het verzoek naar de beslissingsautoriteit moeten terugverwijzen. Hierbij dienen de waarborgen van hoofdstuk II van richtlijn 2013/32/EU in acht te worden genomen.