Samenvatting
Voorts kunnen verzoekers volledig worden gevolgd waar ze in hun verzoekschrift opwerpen:
“Het uitvoeringsbesluit van 4 maart 2022 bepaalt:
“Overeenkomstig Richtlijn 2001/55/EG moet de duur van de tijdelijke bescherming aanvankelijk één jaar bedragen. Wanneer de bescherming niet uit hoofde van artikel 6, lid 1, punt b), van die richtlijn wordt beëindigd, moet zij automatisch met telkens zes maanden worden verlengd voor maximaal één jaar. De Commissie zal de situatie voortdurend monitoren en evalueren. Zij kan de Raad te allen tijde voorstellen dat een einde wordt gemaakt aan de tijdelijke bescherming omdat de situatie in Oekraïne zodanig is dat de personen aan wie tijdelijke bescherming is verleend, onder veilige en duurzame omstandigheden kunnen terugkeren, of dat de tijdelijke bescherming met maximaal één jaar wordt verlengd.”
Artikel 4 van de richtlijn 2001/55/EG bepaalt:
“1. Onverminderd artikel 6 duurt de tijdelijke bescherming één jaar. Wanneer de bescherming niet op grond van artikel 6, lid 1, onder b), wordt beëindigd, kan deze automatisch met telkens zes maanden worden verlengd voor maximaal één jaar.
2. Indien er aanleiding blijft om tijdelijke bescherming te verlenen, kan de Raad met gekwalificeerde meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie, die tevens elk verzoek van een lidstaat om bij de Raad een voorstel in te dienen, onderzoekt, besluiten de tijdelijke bescherming met maximaal één jaar te verlengen.”
Initieel gold het statuut slechts voor één jaar, tot 4 maart 2023. Vervolgens kon het verlengd worden met twee keer 6 maanden. De Raad van de EU bevestigde deze automatische verlenging, tot 4 maart 2024.
Verzoekers, die blijkens het wachtregister in het bezit zijn van een A-kaart die geldig is tot 4 maart 2024, kunnen dan ook worden gevolgd waar ze op grond van de bovenvermelde bepalingen concluderen dat er onduidelijkheid en onzekerheid heerst over wat er te gebeuren staat wanneer er een einde komt aan de maximale verlengingstermijn.
In artikel 9bis van de Vreemdelingenwet kan niet worden gelezen dat vreemdelingen die tot een tijdelijk verblijf zijn gemachtigd geen aanvraag meer kunnen indienen op grond van voormelde bepaling. De bestreden beslissing maakt ook geen toepassing van het bepaalde in artikel 9 bis, §2 van de Vreemdelingenwet. Het is dus strijdig met artikel 9bis van de Vreemdelingenwet om desondanks verzoekers’ aanvraag toch zonder voorwerp te verklaren.
Deze beoordeling dringt zich des te meer op gezien verzoekers kunnen worden gevolgd waar ze via verwijzing naar rechtspraak van de Raad in hun verzoekschrift kunnen worden geacht op te werpen dat een verblijfsmachtiging op grond van artikel 9bis van de Vreemdelingenwet kan uitlopen op een verblijfs-machtiging van onbepaalde duur, daar waar een verblijfsmachtiging die werd uitgereikt op grond van de oorlog in Oekraïne enkel aanleiding geeft tot een “tijdelijke bescherming” en dus een tijdelijk verblijfsstatuut.