Samenvatting
Het staat niet ter betwisting dat de verzoeker een Oekraïens staatsburger is, die in het bezit is van een geldig Oekraïens paspoort. Het loutere feit Oekraïens staatsburger te zijn, is echter niet voldoende voor de toekenning van een verblijfsmachtiging op grond van de tijdelijke bescherming. Het moet immers tevens vast staan dat de betrokkene in Oekraïne verbleef vóór 24 februari 2022 en dat hij er sinds die datum ontheemd is geraakt. In die zin kan ook worden verwezen naar de operationele richtsnoeren van de Europese Commissie voor de uitvoering van Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 (2022/C 126 I/01) waarin het volgende kan worden gelezen: “De volgende categorieën ontheemden hebben in beginsel geen recht op tijdelijke bescherming als bedoeld in Richtlijn 2001/55/EG of passende bescherming uit hoofde van het nationale recht: (1) Oekraïense onderdanen die in Oekraïne verbleven en die vóór 24 februari 2022 uit Oekraïne ontheemd zijn geraakt of die zich vóór die datum buiten Oekraïne bevonden, bijvoorbeeld vanwege werk, studie, vakantie, familiebezoek, medisch onderzoek of een andere reden;(...)”.
Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verzoeker bij het indienen van zijn aanvraag verklaard heeft dat hij Oekraïne voor het laatst heeft verlaten in de zomer van 2018, dat er een stempel van zijn vertrek in zijn paspoort staat en dat hij samen met een vriend naar Rusland reisde. De verzoeker verklaarde tevens dat hij sinds zijn vertrek uit Oekraïne in de zomer van 2018 tot zijn aankomst in België ononderbroken in Rusland verbleef alwaar hij enkel een tijdelijke verblijfsvergunning verkreeg.
De verzoeker brengt thans naar voor dat de vaststellingen in de bestreden beslissing berusten op een miscommunicatie omwille van het feit dat hij zijn verklaringen aflegde zonder tolk en hij het Engels en het Russisch onvoldoende machtig is. Thans stelt de verzoeker dat hij zijn domicilieadres heeft in Odessa en dat hij zich, voornamelijk sedert 2018, herhaaldelijk naar de Krim verplaatste om te windsurfen. Dit zou blijken uit zijn paspoort en meer bepaald uit de stempels met vermelding “Armsjansk”. De verzoeker verwijst hierbij naar het stuk 5 van zijn inventaris van de overtuigingsstukken, hetgeen een kopie blijkt te betreffen van de pagina’s 12 en 13 van zijn paspoort. De verzoeker stelt dat de Krim niet tot Rusland behoort en dat de annexatie in 2014 door Rusland door de Europese Unie als een schending van het internationale recht werd erkend.
Uit de stukken van het administratief dossier blijkt echter dat de verzoeker zijn verklaring op eer heeft ondertekend, zonder hierbij enige opmerking te maken omtrent zijn beweerde gebrekkige talenkennis. De verzoeker beperkt zich overigens tot een loutere bewering waar hij stelt het Russisch of het Engels niet voldoende machtig te zijn, hetgeen echter moeilijk valt te rijmen met de veelvuldige reizen naar Vietnam die uit zijn paspoort blijken en met het gegeven dat hij zelf op eer heeft verklaard dat hij sinds de zomer van 2018 tot januari 2023 in Rusland heeft verbleven. Dat de verzoeker last had van jetlag twee dagen na zijn aankomst vanuit Moskou, is evenmin geloofwaardig. In januari is er immers een tijdsverschil van amper twee uur. Ook de vage bewering dat de verzoeker “onder de indruk” was, kan niet verklaren waarom hij thans geheel tegenstrijdige verklaringen naar voor brengt dan deze die hij op 10 januari 2023 aflegde en ondertekende zonder enige verdere opmerking. Verzoekers vage beweringen kunnen geen afbreuk doen aan het gegeven dat de vaststellingen van de verweerder omtrent verzoekers verklaringen steun vinden in de stukken die voorlagen op het moment dat de verweerder de bestreden weigeringsbeslissing trof.
Voorts wordt erop gewezen dat de regelmatigheid van een administratieve beslissing dient te worden beoordeeld in functie van de gegevens waarover het bestuur ten tijde van het nemen van zijn beslissing kon beschikken om deze te nemen (RvS 23 september 2002, nr. 110.548). De Raad zou zijn bevoegdheid overschrijden door bij zijn wettigheidstoetsing rekening te houden met gegevens die dateren van na de bestreden beslissing (RvS 18 juni 2009, nr. 194.395). Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verzoeker wel degelijk heeft verklaard dat hij sinds de zomer van 2018 in Rusland verbleef en nooit terugkeerde naar Oekraïne. Deze verklaring wordt ondersteund door de Russische (tijdelijke) verblijfsvergunning die in verzoekers paspoort is aangebracht. De verzoeker heeft de thans voor het eerst bij het verzoekschrift gevoegde stukken foto’s en stukken 6, 7, 8, 9 en 11 niet voorgelegd ter gelegenheid van zijn aanvraag van 10 januari 2023. Er kan dan ook niet worden vastgesteld dat de verweerder bij het nemen van de bestreden beslissing hiervan kennis kon hebben. Hetzelfde geldt voor de thans voor het eerst naar voor gebrachte verklaring dat de verzoeker in Odessa zou hebben verbleven, maar regelmatig heen en weer ging naar de Krim om te windsurfen. Ook deze verklaring is nieuw en zij is bovendien geheel in tegenspraak met verzoekers verklaring ten tijde van de aanvraag. Ook deze nieuwe verklaringen kunnen de wettigheid van de bestreden beslissing niet vitiëren. De verweerder mocht er genoegzaam van uit gaan dat verzoekers verklaringen op eer met de werkelijkheid overeenstemmen, te meer daar in verzoekers paspoort wel degelijk op p. 17 een Russische tijdelijke verblijfsvergunning, geldig van 28 januari 2021 tot 28 januari 2024, is aangebracht. De Raad wijst er in dit kader tevens op dat de verzoeker zeer selectief verwijst naar drie stempels “Armsjansk” op p. 13 van zijn paspoort, terwijl het paspoort op andere pagina’s nog een veelvoud aan in- en uitreisstempels bevat, alsook de voormelde tijdelijke verblijfsvergunning voor Rusland. Bovendien blijkt uit de stempels op p. 13 dat de verzoeker op dezelfde dag (29 juni 2019) in- en uitreisde te Armsjansk.
Waar de verzoeker nog aanmerkt dat de verweerder niet heeft onderzocht of hij wel daadwerkelijk over een tijdelijke verblijfsvergunning in Rusland beschikte, merkt de Raad op dat de verzoeker blijkens de stukken van het administratief dossier bij zijn verklaring op eer zelf heeft verwezen naar de op p. 17 van zijn paspoort aangebrachte tijdelijke verblijfsvergunning voor de Russische Federatie. De verzoeker heeft ter gelegenheid van zijn aanvraag ook zijn paspoort voorgelegd, waarin inderdaad een tijdelijke verblijfsvergunning is aangebracht die werd verleend op 28 januari 2021 en die geldig is tot 28 januari 2024. Er valt dan ook niet in te zien welk bijkomend onderzoek de verweerder hieromtrent nog zou moeten uitvoeren.
Tot slot moet nogmaals worden opgemerkt dat verzoekers loutere, pas in het kader van het thans voorliggende beroep naar voor gebrachte beweringen dat hij Oekraïne pas in januari 2023 zou hebben verlaten, de vaststellingen van de verweerder niet aan het wankelen kunnen brengen. De verweerder heeft zich immers gesteund op de verklaring die de verzoeker op 10 januari 2023 aflegde en waarin hij op eer verklaarde dat hij in de zomer van 2018 uit Oekraïne vertrok om er niet meer terug te keren alvorens op 8 januari 2023 in België aan te komen. Er kan de verweerder dan ook geen onzorgvuldigheid worden aangewreven.