Samenvatting
Uit het verzoekschrift blijkt duidelijk dat verzoekster het niet eens is met deze beoordeling. In de eerste plaats voert verzoekster aan dat uit de neergelegde rekeningafschriften blijkt dat zij op een duurzame en regelmatige manier steun kreeg van haar stiefmoeder en vader. Uit de stukken blijkt dat verzoekster in de periode tussen januari 2019 en maart 2022 6.832 € ontving van haar vader en stiefmoeder. Dit komt neer op een bedrag van ongeveer 200 € per maand.
Verzoekster betoogt dat verweerder heeft nagelaten om voormelde stukken te beoordelen. Wat betreft haar onvermogendheid voert verzoekster aan dat zij in de hoedanigheid van student niet was toegelaten om te werken in Oekraïne. Ter ondersteuning van haar betoog verwijst verzoekster naar de website van de Oekraïense overheid waar inderdaad vermeld staat dat personen met een verblijfskaart als student niet toegelaten zijn om te werken. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster tijdens het verhoor in het kader van haar verzoek om internationale bescherming reeds verklaarde dat haar studentenstatuut haar niet toeliet om te werken. Ook in een schrijven van 18 oktober 2023 herhaalde de raadsheer van verzoekster dat zij omwille van haar studentenstatuut niet toegelaten was om te werken in Oekraïne. Uit het feit dat verzoekster niet toegelaten was om te werken, kan volgens verzoekster worden afgeleid dat zij geen inkomsten had in Oekraïne. Gelet op het aanzienlijk bedrag dat aan verzoekster werd overgemaakt en aangezien het verzoekster niet was toegestaan om te werken, kan er volgens haar wel degelijk worden vastgesteld dat zij financieel afhankelijk was van haar ouders.
De Raad dient op te merken dat noch uit de bestreden beslissing noch uit het administratief dossier blijkt dat verweerder rekening heeft gehouden met het feit dat verzoekster in de hoedanigheid van student niet was toegelaten om te werken in Oekraïne. Nochtans werd verweerder van dit element op de hoogte gesteld ruim voor het nemen van de bestreden beslissing. Bovendien blijkt uit de neergelegde stukken dat verzoekster gedurende een aanzienlijke periode, namelijk tussen 6 januari 2019 en 1 maart 2022, op regelmatige wijze geldsommen ontving van haar vader en stiefmoeder. Dit wordt niet ontkend door verweerder. Omtrent deze stukken motiveert verweerder dat deze geen afbreuk doen aan de vaststelling dat verzoekster onvoldoende aantoont dat zij onvermogend was. Met deze motivering gaat verweerder echter niet over tot een concrete beoordeling van deze geldoverschrijvingen. Uit een interne nota van 18 januari 2023, zoals vervat in het administratief dossier, stelt verweerder dat deze stukken “niet nader bekeken” zijn. De Raad dient evenwel te herhalen dat uit de voormelde rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat het gedurende een lange periode regelmatig een som geld betalen, reeds van die aard kan zijn dat zij het bestaan van een reële situatie van afhankelijkheid aantonen. In het licht van deze rechtspraak dient de Raad vast te stellen dat verweerders motivering betreffende de neergelegde afschriften van geldoverschrijvingen in casu niet afdoende is. Bovendien wordt er in de bestreden beslissing niet gemotiveerd betreffende verzoeksters studentenstatuut, waarvan het bestuur doch tijdig op de hoogte van werd gesteld. Er dient te worden vastgesteld dat verweerder een onzorgvuldig onderzoek heeft gevoerd. Gelet op het geheel der stukken waar niet afdoende is over gemotiveerd, kunnen de motieven over het onvermogen in dit specifieke geval niet als draagkrachtig genoeg worden beschouwd om de bestreden beslissing te schragen. Een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel wordt aannemelijk gemaakt.